Om de kerk aantrekkelijk te maken voor theologen, kiest de stuurgroep voor samenwerking op gemeentelijk en bovenplaatselijk niveau. Predikanten en kerkelijk werkers moeten gaan opereren binnen werkgemeenschappen, waarbij specialisaties en specifieke competenties en verantwoordelijkheden mogelijk zijn.
De stuurgroep onder leiding van dr. Cees Veerman onderkent dat de voorgestelde opzet een cultuuromslag vereist. De voorstellen zijn inderdaad ingrijpend. Het territoriale principe en het pastorale grondmodel (predikant, gebouw, gebied) blijven gehandhaafd, maar worden aangevuld met een landelijke en regionale aansturing.
De commissie wil de mobiliteit van predikanten bevorderen en afdwingen. Dit creëert een spanningsveld met de autonomie van de plaatselijke gemeenten en met de persoonlijke omstandigheden van de beroepsbeoefenaren. Daar komt nog bij dat er een grote verscheidenheid is in geestelijke beleving en theologische opvattingen, wat overplaatsing bemoeilijkt.
De plannen vertonen op dit punt interessante overeenkomsten met het loopbaanbeleid van de Rooms-Katholieke Kerk. Een andere overeenkomst met deze kerk is dat er niveaus komen in de bekwaamheid van de predikanten: junior, basis- en senior predikant. Een belangrijke rol krijgt de voorzitter van de algemene classicale vergadering, de ”pastor pastorum”. Een van de bijlagen noemt de term ”bisschop”.
De voorstellen van de stuurgroep voor personeelsbezetting en loopbaanontwikkeling doen denken aan het managen van een landelijk opererend accountantskantoor met lokale vestigingen. De hamvraag is of de stuurgroep voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen een seculiere organisatie en de kerk. In een seculiere organisatie heb je uitsluitend te maken met professionele criteria, maar in de kerk zijn andere criteria zeker zo belangrijk.
In een bijlage van een eerder rapport wordt voorgesteld de hbo-theologen een volwaardige plek te geven in de ambtsstructuur van de kerk. De stuurgroep beperkt dit tot diegenen die zich voorbereiden op het ambt van predikant en geeft hun de positie van predikant-vicaris. Over een ambtelijke positie van de overigen, de kerkelijk werkers, werkzaam op een verscheidenheid aan terreinen, spreekt de stuurgroep niet. Hun niet-ambtelijke positie is om twee redenen merkwaardig.
In de eerste plaats stelt de stuurgroep één functiegebouw voor van kerkelijk werkers en predikanten, waarbij de functies in zwaarte oplopen, maar wezenlijk niet verschillen. In de tweede plaats ziet de stuurgroep de kerk als een organisatie waarin professionals –predikanten en kerkelijk werkers– samen de taken uitvoeren. Hij trekt hier echter geen consequenties uit en laat de kerkelijk werker in de positie van hulpkracht. Dat is geen aantrekkelijke werkplek.
Zendingsterrein
Wat de stuurgroep met de taakgroepen heeft gepresteerd, is niet gering. Er ligt een coherente visie op de ontwikkeling van de kerk. Maar misschien vormt de financiële situatie wel de achilleshiel van de plannen.
Bij het opstellen van de nieuwe hervormde kerkorde na de Tweede Wereldoorlog stelde de kerkordecommissie al vast dat er te weinig geld was om het aantal predikantsplaatsen af te stemmen op de hoeveelheid werk. Het financiële probleem is vooral opgelost met het aanstellen van goedkopere kerkelijk werkers en met parttimecontracten voor predikanten.
Het is niet ondenkbaar dat de kerk in de toekomst nog sterker dan thans het geval is, wordt geconfronteerd met te weinig geld om dure beroepskrachten te betalen. Enerzijds zal daardoor werk blijven liggen, anderzijds zal het proces waarbij goedkopere kerkelijk werkers duurdere predikanten vervangen zich voortzetten. Dat maakt het arbeidsmarktperspectief voor academisch opgeleide theologen niet aantrekkelijk.
De stuurgroep heeft beleid willen ontwikkelen voor een kerk in de neergaande fase. Wat ontbreekt –maar dat ontbrak al in haar opdracht– is een fundamentele doordenking van de problematiek van de bearbeiding van de gemeenten en van de samenleving als zendingsterrein. Daarin gaat het om de vraag hoe het ambt van de apostelen in onze realiteit kan worden ingevuld. Dan zal het eerder om roeping tot dan om aantrekkelijkheid van het ambt gaan.
De auteur is in 2006 gepromoveerd op het proefschrift ”De kerkelijk werker en het ambt”.