Op een steenworp afstand bevindt zich de Sint-Prokop, die in het midden van de 13e eeuw werd gebouwd op de plek waar ruim twee eeuwen daarvoor een Benedictijnerklooster was gesticht. De basiliek geldt als een juweel op het gebied van middeleeuwse architectuur, die de romaanse en gotische bouwstijl op uitzonderlijke wijze met elkaar verbindt. Niet voor niets staat het bouwwerk vermeld op de werelderfgoedlijst van Unesco.
Hetzelfde geldt voor de Joodse wijk Zamosti (letterlijk: voorbij de brug), die in 2003 op de lijst terechtkwam. Trebic is er trots op en nodigt toeristen van harte uit een bezoekje te komen brengen aan zijn bijzondere cultuurschatten. Het foldermateriaal rept zelfs van een „unieke symbiose” tussen de Joodse en christelijke cultuur en vermeldt dat Joden en christenen in Trebic eeuwenlang relatief rustig samenleefden.
Op die bewering valt wel het een en ander af te dingen. Het woord ”samenleven” moet ruim worden genomen. Dat blijkt al bij de ingang van het getto aan de Leopolda Pokornehostraat, die samen met de daaraan parallel lopende Blahoslavovastraat de ruggengraat vormt van de wijk. De poort die zich hier indertijd bevond, ging iedere nacht dicht, evenals op zon- en christelijke feest- en heiligendagen. Op die dagen was de aanblik van een Jood niet gewenst.
Trouwen
Wie over de kinderkopjes van het Joodse getto wandelt, raakt direct onder de indruk van de nauwe straatjes en steegjes. Het geheel doet met zijn koffiehuizen, restaurants en winkeltjes erg knus aan. Achter die ogenschijnlijke gezelligheid ging in vroeger dagen echter een wereld van leed schuil. Voor de Joden was het bittere noodzaak om iedere vierkante meter optimaal te benutten. Hun wijk, veilig ingeklemd tussen de rotsen en de christelijke bebouwing, mocht immers niet worden uitgebreid, ondanks de natuurlijke aanwas.
Van de vroege 18e eeuw tot halverwege de 19e eeuw mochten slechts 260 Joden van de lokale overheid er een eigen huishouding op na houden. In ieder gezin had alleen de oudste zoon het recht om te trouwen -doorgaans pas na het overlijden van zijn vader- en het huis van zijn ouders over te nemen. Op die manier werd voorkomen dat het getto zich uitbreidde.
Dat leidde ertoe dat de Joden hun wijk moesten ”inbreiden” in plaats van uitbreiden. Zo ontstonden de zogenaamde condominiums, huizen die waren opgedeeld in afzonderlijke woonruimtes. In de Blahoslavovastraat bijvoorbeeld staat een huis met drie verschillende ingangen. Sommige woningen hadden helemaal geen voordeur. Die kon slechts worden bereikt via het huis van de buurman, zoals nummer 21 in de Leopolda Pokorneho, dat alleen toegankelijk is via nummer 19.
De Joodse gemeenschap bereikte haar maximale omvang in 1835, toen ze 1490 zielen telde, een kwart van de totale bevolking. Dat betekende dat in ieder huis gemiddeld vijftien mensen woonden. Overigens werden veel Joden gedwongen de wijk te verlaten. Bij het bereiken van de volwassenheid op 14-jarige leeftijd moest ieder ’onwettig kind’ de stad uit. En dat waren er nogal wat, aangezien de autoriteiten in ieder gezin alleen het huwelijk van de oudste zoon erkenden.
Uitzicht
Letterlijk ieder gebouw in de Joodse wijk is de moeite van het bekijken waard. Doordat de Joden al vanaf de middeleeuwen in Trebic woonden zijn de bouwstijlen van de eeuwen erna voor een groot deel bewaard gebleven. Renaissancebogen, barokke gevels, empireversieringen, het valt allemaal te bewonderen in Zamosti.
Symbolisch voor de teloorgang van het jodendom is de zogenaamde Voorste Synagoge aan het Tichéplein. Het bedehuis waar voorheen de Joden hun religieuze plichten vervulden, dient nu als onderkomen voor de Hussitische Kerk.
Niet iedereen kon de charme van dit gebouw altijd evenzeer waarderen. De synagoge, die tussen 1639 en 1642 werd gebouwd, moest in 1757 worden verlaagd. Het dak, dat uitstak boven de huizen, bedierf het uitzicht van prinses Marie-Anne van Liechtenstein, die resideerde in het hoger gelegen kasteel op de rotsen.
Aan de Blahoslavovastraat staat naast het VVV-kantoor de Nieuwe of Achterste Synagoge, die in 1669 gereed kwam. Het had weinig gescheeld of dit gebouw, dat vanaf 1926 dienst deed als opslagruimte, was in de jaren ’70 van de vorige eeuw gesloopt - samen met de rest van de Joodse wijk. Gelukkig werd de synagoge na een grootscheepse renovatie in 1997 heropend.
Kerkhof
Tegenwoordig kunnen de bezoekers er weer de prachtige muurschilderingen en kostbare wandtapijten bewonderen. Ook is er een permanente tentoonstelling ingericht over het dagelijkse leven van de Joodse gemeenschap, die tijdens de Holocaust ten onder ging.
Nadat in de tweede helft van de 19e eeuw de Joden dezelfde rechten hadden gekregen als niet-Joden en de meesten van hen Trebic hadden verlaten, pakten in mei 1942 de Duitsers de overgebleven 281 Joden op. Via het doorvoerkamp Theresienstadt (Terezin) verdwenen ze naar vernietigingskampen. Slechts tien Joden keerden na de oorlog terug. De laatste overleed in 1996.
Wat naast het getto nog herinnert aan de eeuwenlange aanwezigheid van Joden in Trebic, is het kerkhof achter de stad. Tussen de bomen op de heuvels bewezen de Joden daar sinds het begin van de 17e eeuw hun dierbaren de laatste eer - ver uit het zicht van burgers en edelen die niet met die aanblik wensten te worden geconfronteerd. Met zijn bijna 12.000 vierkante meter -een kwart van het getto- en 2600 grafstenen is het een van de grootste Joodse begraafplaatsen van Tsjechië.
De in 1903 gebouwde kapel is nog geheel intact. Een van de weinige bewaard gebleven voorwerpen is een zwartfluwelen kleed voor over de baar. De tekst op het doek zal menig Jood in Trebic tot troost zijn geweest: „Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.”
Meer informatie: Tsjechisch Bureau voor Toerisme, 020-5753014, www.czechtourism.com en www.trebic.cz/unesco/e_index.asp.
In getto van Praag was er zelfs voor doden geen ruimte
Het verhaal van de Joden in Trebic staat niet op zichzelf. Ook in Praag zaten de Joden tot ver in de 18e eeuw in een getto opgesloten. Zelfs op de begraafplaats was er voor hen amper plaats.
De Joodse gemeenschap in de Tsjechische hoofdstad is een van de oudste van Europa en gaat terug tot de elfde eeuw. Aan het begin van de 18e eeuw telde Praag zelfs meer Joden dan welke plaats ter wereld ook. In 1708 maakten zij een kwart van de totale bevolking van de stad uit.
Eeuwenlang werden de Joden gedwongen zich te vestigen in de Joodse wijk op de rechteroever van de rivier de Moldau, dicht bij Stare Mesto, de Oude Stad. Pas in 1781 kwam daaraan een einde, toen de Habsburgse keizer Jozef II een Edict van Tolerantie afkondigde. Uit dankbaarheid doopten de Joden hun wijk om tot Josefov, een naam die tot op de dag van vandaag voortleeft.
Van de Joodse gemeenschap in Praag is anno 2008 niet veel meer over. Naar schatting leven er nog zo’n 1500 Joden in de hoofdstad. Daarentegen is het voormalige getto zelf -evenals in Trebic- grotendeels intact gebleven. Ondanks de aanwezigheid van de nazi’s tussen 1939 en 1945.
De Duitsers besloten destijds de wijk intact te laten om het na de oorlog te kunnen omvormen tot een ”museum van een uitgeroeid ras”. De oprichter van het museum, de historicus Stein, begon al tijdens de oorlog de tienduizenden voorwerpen te catalogiseren die de Duitsers hadden geroofd van de 153 Joodse gemeenschappen in het toenmalige Tsjechoslowakije. Al die adembenemende kunstschatten zijn nu te bezichtigen in het Joodse Museum, dat is verdeeld over verschillende oude synagoges en andere historische Joodse gebouwen in de wijk.
Onderdeel van het museum is ook de oude Joodse begraafplaats. Hier liggen alle Praagse Joden begraven die voor 1787 overleden. Op een ruimte van nog geen 1 hectare staan hier ongeveer 12.000 grafzerken. Aangezien de Joden geen toestemming kregen om de begraafplaats uit te breiden, waren ze genoodzaakt de gestorvenen op elkaar te stapelen. In sommige gevallen liggen er niet minder dan twaalf lichamen boven op elkaar. Naar schatting liggen er op deze dodenakker zo’n 100.000 mensen begraven.
Onder hen bekenden als de wiskundige, historicus en astronoom David Gans (1541-1613) en rabbi Juda Löw ben Betsabel. Die laatste leeft in de legenden voort als de schepper van de golem, een zielloze man van klei die niet kon spreken, maar wel de mens als dienaar kon helpen.
De oudste grafsteen dateert uit 1439 en is die van rabbi Avigdor Kara. Avigdor was nog maar een kleine jongen, toen hij in 1389 getuige was van een bloedige pogrom waarbij 3000 Joden omkwamen. Aanleiding was de beschuldiging dat Joden tijdens het paasfeest stenen naar kinderen van christenen hadden gegooid. Als een van de weinige overlevenden van de moordpartij in de Oude-Nieuwe Synagoge schreef Kara een treurdicht, dat nog elk jaar wordt voorgelezen op Jom Kipoer.
Dat de pogrom van 1389 slechts een klein voorspel was van wat een kleine zes eeuwen later stond te gebeuren, wordt pijnlijk zichtbaar in het pseudoromaanse mortuarium pal naast de begraafplaats. Het gebouw uit het begin van de 20e eeuw herbergt een tentoonstelling over de Holocaust. Bijzonder aangrijpend zijn de potloodtekeningen van kinderen uit het getto van Terezin (Theresienstadt), van wie de meesten de oorlog niet overleefden.