Duitsland viert 2005 als het Einstein-jaar. Daarmee sluit de overheid aan bij het door de Verenigde Naties uitgeroepen internationale jaar van de natuurkunde. Zo wil het buurland een breder publiek interesseren voor de wetenschap.
Einstein is antimilitaristisch. „Hij heeft een hekel aan Duitsers en in het bijzonder aan Berlijners”, zegt Samuël Rispens, die meewerkt aan het Einstein-jaar in Duitsland en auteur is van het nog te verschijnen boek ”Einstein in Nederland”.
Dat de natuurwetenschapper toch in april1914 naar Berlijn komt, is te danken aan de Duitse natuurkundige Max Planck, Nobelprijswinnaar en grondlegger van de kwantumtheorie. Hij zoekt Einstein persoonlijk op in Zürich om hem over te halen directeur te worden van het natuurkundig instituut aan de Friedrich Wilhelm Universiteit, de latere Wilhelm von Humboldt Universiteit. Volgens Rispens is de functie speciaal voor Einstein gecreëerd. Hij kan dan niet meer weigeren. „Want het is voor hem een grote eer dat de bekende natuurwetenschapper Planck zijn theorie erkent.”
Roem
Kort na Einsteins benoeming in Duitsland breekt de Eerste Wereldoorlog uit. De wetenschapper bemoeit zich er niet mee en is vooral bezig met het uitwerken van zijn speciale relativiteitsleer. Zijn beroemdste boek ”Over de speciale en algemene relativiteitstheorie” verschijnt in 1917.
Ondanks de uitgave van het boek verkeert Einstein in een isolement. Rispens: „Door de oorlog kan hij geen rechtstreekse contacten hebben met wetenschappers uit Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten. In deze periode gaat Einstein vaak naar Nederland. Via Leiden onderhoudt hij contacten met wetenschappers uit Frankrijk, Engeland en de VS.”
Het is volgens Rispens ook een Nederlandse wetenschapper die in deze periode wezenlijk bijdraagt aan het succes van Einsteins reputatie. „Willem de Sitter weet glashelder in drie artikelen in The Astronomy -een vakblad voor sterrenkundigen- de relativiteitstheorie uit te leggen.” Daarnaast bewijst men in 1919 Einsteins theorie succesvol tijdens een zonsverduistering in Afrika. De kranten koppen: „Revolutie in de wetenschap” en „Einsteins theorie triomfeert”.
De roem van Einstein groeit als hij in 1921 de Nobelprijs voor natuurkunde krijgt. Opmerkelijk genoeg niet voor zijn relativiteitsleer, maar voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect. Volgens Rispens „omdat de relativiteitsleer nog niet degelijk bewezen is. Het comité wil geen blunder maken door hem de Nobelprijs te geven voor een theorie die later wellicht weerlegd wordt. Men zoekt daarom naar een ander wapenfeit van Einstein.”
De Duitse overheid, die zo snel mogelijk de verloren oorlog wil vergeten, probeert munt te slaan uit het succes van Einstein. Ze stelt geld beschikbaar om een zonneobservatorium te bouwen waarin de natuurwetenschapper zijn relativiteitstheorie kan bewijzen.
De witte, vijf verdiepingen tellende toren wordt in Potsdam, een voorstad van Berlijn, gebouwd. De toren is in 1924 klaar voor gebruik en krijgt de naam ”Einsteinturm”. De theorie van Einstein is in de toren nooit bewezen. „De opstelling is veel te kleinschalig”, aldus Rispens.
Sjofel
Einstein neemt volop deel aan het publieke leven. „Hij is een geziene man die erg veel humor heeft.” Zo begint Einstein een radio-uitzending met de woorden „Geëerde aan- en afwezigen.” Ook zichzelf ontziet hij niet. Op de vraag waarom hij er zo sjofel bij loopt, antwoordt Einstein volgens Rispens: „Het zakje mag niet meer kosten dan het vlees dat erin zit.” Inmiddels siert deze spreuk het ministerie van Volksgezondheid.
De fysicus is van joodse komaf. Hij participeert in de joodse gemeenschap. „Als een van de weinige liberale joden komt hij op voor de arme geloofsgenoten afkomstig uit Oost-Europa. Ook zet hij zich als zionist in voor de vorming van een joodse staat.” Hij gaat onder meer op een fondsenwervingstour met de latere Israëlische president Weizmann.
Het botert niet altijd tussen de natuurwetenschapper en de joodse gemeenschap. Volgens Christian Dirks, samensteller van de tentoonstelling ”Einstein, relativ jüdisch” in de Neue Synagoge waren er van 1920 tot 1924 problemen „omdat Einstein de gemeenschap niet wilde erkennen als een religieuze eenheid. Desondanks betaalde hij wel zijn joodse belasting, de tienden, die toentertijd geheven werden binnen de joodse gemeenschap.” In 1924 bereiken beide partijen een compromis. Dirks: „Einstein erkent de gemeenschap als culturele en politieke eenheid en de gemeenschap laat hem vrij in zijn godsdienstig leven.”
Boekverbranding
De nazi’s krijgen eind jaren twintig en begin jaren dertig meer invloed. Einstein ondervindt hiervan de gevolgen op de universiteit. Joodse medewetenschappers krijgen het volgens Rispens moeilijker. „Steeds minder van hen kregen een beurs en werden zodoende weggepest.”
Einstein laat het zover niet komen. In 1932 vertrekt hij uit Berlijn. Hij is dan nog van plan om terug te komen, maar als de nationaal-socialisten in 1933 aan de macht komen en al zijn bezittingen confisqueren is zijn besluit definitief. Hij schrijft vanuit België zijn ontslagbrief als directeur van het natuurkundig instituut van de Friedrich Wilhelm Universiteit. Einstein vlucht naar Engeland, vanwaar hij vertrekt naar de Verenigde Staten.
De nazi’s proberen Einsteins sporen uit te wissen. De Einsteinturm krijgt op 28 maart 1933 een andere naam: ”Instituut voor Zonneonderzoek”. Naast de werken van andere joodse wetenschappers worden ook Einsteins boeken symbolisch vernietigd tijdens een openbare boekverbranding. Er verschijnen tientallen boeken van auteurs die het „gezonde verstand” oproepen de theorie van de geleerde niet aan te nemen. „Sindsdien werkt Einstein nooit meer samen met een Duitser”, aldus Rispens. „Omdat hij hen allen verantwoordelijk houdt voor de genocide op zijn volksgenoten.”
Voor meer informatie over Berlijn: Duits Verkeersbureau, 020-6978066, 0900-1091029 en www.duitsverkeersbureau.nl.