Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Op de bres voor preventie

Aandacht voor preventie van ziekten is er in Nederland bedroevend weinig, stelt hoogleraar Mackenbach. „Echte stappen zetten we pas als het een zaak wordt van politieke besluit­vorming.”
Hoe houden we de zorg betaalbaar? Hoe dringen we de kostenstijging in deze sector terug? Als politieke partijen in hun verkiezings­programma’s iets over de gezondheidszorg opmerken, gaat het negen van de tien keer over de financiële aspecten ervan.

Die eenzijdige belangstelling voor kostenplaatjes is de Rotterdamse hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg dr. Johan Mackenbach een doorn in het oog. „Ik zou zo graag stemmen op de partij die zegt dat het zoutgehalte in de voeding omlaag moet”, zegt hij in het gebouwencomplex van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.

De opmerking lijkt een losse flodder, maar is dat niet. Naar schatting 51 procent van al onze gezondheidsproblemen wordt veroorzaakt door bekende factoren in de leefomgeving en leefstijl, becijfert Mackenbach in zijn onlangs verschenen boek, ”Ziekte in Nederland”. „Factoren die we ongehinderd hun ziekmakende werk laten doen.”

Hartinfarcten en beroertes zijn voorbeelden van de gezondheidsproblemen waarop Mackenbach doelt. „We kennen een belangrijke oorzaak, namelijk hoge bloeddruk, ver­oorzaakt door een te hoge zoutconsumptie. De vraag is dan: waardoor is onze zoutinname zo hoog? Het antwoord is: omdat we al via het consumeren van onze gewone maaltijden, de gebruikelijke boodschap-pen uit de supermarkt, niet onder de aanbevolen grens blijven. Zelfs brood bevat te veel zout.”

De lijst met potentieel vermijdbare ziektes is veel langer dan vaak wordt verondersteld, aldus Mackenbach. „Hoeveel ziektes houden geen verband met roken, een gebrek aan lichaamsbeweging of luchtverontreiniging? Allemaal zaken waar we wat aan kunnen doen.”

Voor de goede orde: „Vermijdbaarheid is iets anders dan verwijtbaarheid”, onderstreept Mackenbach. „Zeg je verwijtbaar, dan bedoel je: het is iemands eigen schuld, het had niet gehoeven. Maar is het een vrije keus van mensen om te wonen in sterk verontreinigde lucht? Is beginnen met roken puur een individuele keus? In mijn visie niet, de invloed van de sociale omgeving van mensen perkt hun vrije keus in. Neem het roken. Als ik in Rotterdam langs een middelbare school fiets, kan ik aan het aantal rokers op het schoolplein zien of het een vmbo of een gymnasium is. Verder is bekend dat 80 procent van de 4 miljoen rokers graag wil stoppen en daartoe meerdere pogingen heeft ondernomen. Dus die veronderstelde vrijheid van mensen, daar plaats ik grote vraagtekens bij. We moeten zeker ook kijken naar vragen als: hoe goed is onze gezondheidsvoorlichting? Of: welke hulp krijgen rokers bij hun stoppogingen?”

Terug naar het zout en de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen. Mackenbach: „Je kunt je voorstellen dat de Hartstichting en het Voedingscentrum een campagne beginnen om het zoutgehalte van producten omlaag te krijgen. Maar zij hebben geen door­zettings- of handhavingsmacht. Echte stappen zet je pas als het een zaak wordt van politieke besluitvorming en de minister van Volksgezondheid zich daar met zijn departement achter schaart.”

Gaat dat gebeuren? is de volgende vraag. Mackenbach ziet het somber in. „Het Public Health Forum heeft de partijprogramma’s rond de vorige verkiezingen in 2007 geanalyseerd en daarbij vooral gelet op de aandacht voor preventie. De uitkomst was uiterst bedroevend. Alle aandacht ging uit naar marktwerking en de manier waarop we de zorg bekostigen. „Het is belangrijk”, was zo’n beetje het meest concrete wat over preventie werd gezegd. Ik vrees dat het dit jaar niet veel anders zal zijn. Jaarlijks leggen we bijna 60 miljoen bezoeken af aan de huisarts, ruim een derde van de bevolking gebruikt voorgeschreven medicijnen, nogmaals ruim een derde komt minstens eenmaal per jaar bij de specialist. De gedachte dat dat onver­mijdelijk is en er gewoon bij hoort, is blijkbaar diep verankerd. Zo diep dat de vraag hoe we ziekten kunnen voorkomen ten onrechte niet eens meer leeft.”

Dat lag vroeger anders, schetst Mackenbach in zijn boek. Daarin neemt hij de lezer mee naar de jaren 30 en 50 van de vorige eeuw. „De nadagen van de infectieziekten, van de kindersterfte. Nederland was in die tijd wereldkampioen op het gebied van levensverwachting, dankzij een sterke publieke gezondheidszorg. Voor een belangrijk deel was dat te danken aan het werk van de kruis­verenigingen, de voorlopers van de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’en). En aan de wijkverpleegkundigen, want zij brachten belangrijke hygiënevoorschriften als het ware bij de mensen thuis.”

Na de infectieziekten kwamen vanaf de jaren 60 de welvaartsziekten, hart- en vaatziekten, en steeg het dodental als gevolg van verkeersongevallen. Mackenbach: „Het antwoord op die nieuwe gezondheidsproblemen is de publieke gezondheidszorg lange tijd schuldig gebleven. Zo heeft het tientallen jaren geduurd voor er een landelijk netwerk van GGD’en was. Er is nog steeds geen landelijke regie voor antirookcampagnes en gezondheidsvoorlichting. Een lappendeken aan clubjes houdt zich daarmee bezig, zoals Stivoro, het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen en de Stichting Consument en Veiligheid. Het ontbreekt deze organisaties aan voldoende slagkracht en professionaliteit.”


„Arts uit de spreekkamer”

Wie moet het belang van preventie voor het voetlicht halen als de politiek het laat afweten? „De artsen zelf”, stelt de Rotterdamse hoogleraar dr. Johan Mackenbach. Hij verwijst naar de longartsen Dekker en De Kanter van het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk. „Zij kwamen op enig moment tot het besef dat 80 procent van de patiënten met COPD of kanker die zij behandelden ziek was geworden door het roken. Daarop zijn ze de spreekkamer uitgekomen om een breed publiek te wijzen op het absurde daarvan. Inmiddels hebben ze ook een handleiding om te stoppen met roken op hun naam staan. Ik zou willen dat meer artsen iets soortgelijks zouden doen.”

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels