Tekening van een eierstok en een eileider en de follikelontwikkeling uit een in 1672 gepubliceerd boek van Reinier de Graaf getiteld ”De mulierum organis in generationi inservientibus tractatus novus.” Nieuwe verhandeling over de functie van de vrouwelijke voortplantingsorganen. Foto Kees Jansen, TFO 2003
Geboortedatum: 30 juli 1641
Sterfdatum: 17 augustus 1673
Nationaliteit: Nederlands
Religie: Rooms-katholiek
Vernoeming: Graafse follikel
Zijn wieg staat in Schoonhoven waar de kleine Reinier in de zomer van 1641 het levenslicht ziet. Hij studeert medicijnen in Utrecht en Leiden en promoveert in 1665 in het Franse Angers tot doctor in de geneeskunde, op onderzoek naar de alvleesklier. De kundigheid van De Graaf blijkt uit zijn experiment met een levende hond waarbij hij kans ziet met simpele instrumenten een afvoergang van de alvleesklier naar buiten te maken zodat hij de spijsverteringssappen kan aftappen en onderzoeken.
Op 13 juni 1672 treedt de arts in het huwelijk met Maria van Dyck. Nog in hetzelfde jaar verschijnt zijn bekendste boek, een verhandeling over de werking van de vrouwelijke voorplantingsorganen.
Door onderzoek met konijnen brengt hij een duizenden jaar oud vraagstuk een stap dichter bij de oplossing, schrijft de inmiddels overleden gynaecoloog en medisch-historicus prof. G. A. Lindeboom in 1972 in zijn boek ”Geschiedenis van de medische wetenschap in Nederland.” Bekend is dat de man zaad voortbrengt, maar de rol van de vrouw bij de voortplanting is in de 17e eeuw nog volstrekt onduidelijk. De gedachte leeft dat het mannelijk zaad „het ruwe materiaal van het menstruele bloed zou omvormen tot een kiemende vrucht.”
Eieren waren in de baarmoeder van konijnen en honden nooit gevonden. De Graaf gooit het echter over een andere boeg. Hij onderzoekt bij de dieren nauwgezet de eierstokken. Hij ontdekt voorafgaand aan de paring „bollekens”, de later naar hem genoemde Graafse follikels, blaasjes in de eierstokken waarin zich de uitgerijpte cellen bevinden.
De Graaf weet in die tijd niet dat de gewone follikels onrijpe eicellen bevatten en dat er bij een vrouw in de vruchtbare leeftijd maandelijks een eicel in een follikel rijpt die tijdens de eisprong of ovulatie vrijkomt waarna bevruchting kan plaatshebben door een zaadcel. Ook heeft hij de in de follikel verscholen eicel nooit waargenomen. Wel veronderstelt hij de aanwezigheid ervan. Zo is hij volgens Lindeboom dicht genaderd tot „de ontsluiering van de geheimenis van het inwendig gebeuren van de voortplanting.”
De Graaf maakt voor zijn onderzoek dankbaar gebruik van microscopen die gemaakt zijn door zijn vriend Antoni van Leeuwenhoek. Ze hebben echter niet dezelfde opvatting over de bevruchting. De Graaf en enkele medestanders denken dat bij de geslachtsgemeenschap het zaad zorgt voor fermentatie van een van de ‘blaaskens’ waardoor het ei uitgedreven wordt en dat de vrucht zich ontwikkelt uit het vrouwelijke ei. Zij worden daarom „ovisten” genoemd – afgeleid van ovarium: eierstokken.
Van Leeuwenhoek, die onder zijn microscoop spermatozoïden heeft zien bewegen, is met anderen –spermatisten genoemd– van mening dat in deze „dierkens” het embryo al in de kiem aanwezig is. De baarmoeder dient er slechts toe om een van hen op te nemen, te voeden en tot ontwikkeling te brengen. Van Leeuwenhoek meent zelfs twee soorten dierkens –„mannekens en wyfkens”– onder zijn microscoop te zien.
Ondanks het verschil van inzicht heeft De Graaf veel respect voor de kennis en kunde van Van Leeuwenhoek. Dat blijkt uit het feit dat hij hem introduceert bij de Royal Society in Londen, een gezaghebbend wetenschappelijk genootschap.
Met Jan Swammerdam, een andere goede vriend van De Graaf, lopen de zaken minder soepel. Swammerdam beschuldigt hem na verschijning van zijn boek over de functie van de vrouwelijke geslachtsorganen van plagiaat.
De Graaf is diep geraakt door de beschuldiging. Bemiddeling door Van Leeuwenhoek mag niet baten. De Royal Society benoemt een commissie die de zaak moet uitzoeken. De Graaf verdedigt zich uitvoerig in een verweerschrift. De commissie komt tot de slotsom dat De Graaf eerder heeft gepubliceerd dan Swammerdam en dat hij geen plagiaat heeft gepleegd.
De Delftse arts maakt dit eerherstel echter niet meer mee. Hij verliest in maart 1673 een pasboren zoontje. Ook de affaire met zijn voormalige vriend Swammerdam raakt hem diep. Op 17 augustus 1673 overlijdt hij plotseling, nog slechts 32 jaar oud. De doodsoorzaak is onduidelijk. Mogelijk is er sprake van zelfdoding, maar ook de ziekte vliegende tering wordt later genoemd.
Van Leeuwenhoek beschuldigt Swammerdam ervan dat hij verantwoordelijk is voor de vroegtijdige dood van De Graaf, maar rept niet over de oorzaak van zijn sterven. Het is alsof zijn collega’s weten waaraan hij gestorven is, maar daar het zwijgen toe doen. Iets wat destijds gebruikelijk was als het ging om zelfdoding.