In een idyllisch winterlandschap zijn een tiental vogelsoorten te zien op en rond een voedertafel: spreeuwen, een merel, een grote bonte specht, een roodborstje, een vink, koolmezen, pimpelmezen, een winterkoning, huismussen en bonte kraaien. Linksonder wacht een hermelijn in wintervacht op zijn kans om een graantje mee te pikken.
”Vogels in de winter” is opgenomen in de serie ”De schoolplaat” (uitg. Libre, 2001), en wel in het deeltje dat de dierenwereld in Nederland behandelt. Daarin zijn ook de originele teksten afgedrukt die bij de schoolplaten horen. Zodoende proef je iets van het opvoedkundige doel dat Koekkoek voor ogen had. Bij de wintervogels ligt het accent op de zorg voor de vogels in de winter. „Op een gure dag in februari”, zo begint de tekst, „nemen we een kijkje in de tuin van een grote villa. Het is op de grens van vriezen en dooien. We zien dit aan de ijspegels aan het voederhuisje.” „De bewoners van de villa zijn echte vogelvrienden”, gaat de tekst verder. „Ze hebben het voederhuisje op een mooie en gunstige plek neergezet.” Als bewijs vermeldt de schrijver verder het schoteltje op de grond, het nestkastje en de beplanting van taxus, hulst, sparren en andere groenblijvende struiken en heesters die „goede schuilplaatsen en nestgelegenheid bieden.”
Dan volgt een beknopte beschrijving van de vogels. Na vermelding van de koolmezen en ruziënde pimpelmezen rechts, wijst de schrijver op de struiken links, „waar enkele schuwere vogels zitten: roodborst, vink, merel en een winterkoninkje.” Verder worden de vier bonte kraaien genoemd. „Dit alles lijkt heel vredig als niet de hermelijn linksonder aanwezig was.” De schrijver verwacht dat het roofdiertje zich weldra „bliksemsnel op zijn niets vermoedende prooi zal werpen. En zo de vrede in het winterbos wreed zal verstoren.” Met „Tja, zo is de natuur”, wordt het stukje tekst afgesloten.
Wat opvalt in deze beschrijving is dat de merel nog als een schuwe bosvogel wordt genoemd. Anno 2008/2009 heeft de merel allang het bos ingeruild voor de wormenrijke gazonnetjes in dorpen en steden.
De plaat van Koekkoek is ook opgenomen in het boekje ”Dieren in hun omgeving” van N. van Loo (uitg. De Vuurbaak, 1983). Hij noemt Koekkoek een voortreffelijk schilder en didacticus. De auteur weerspreekt kritiek dat te veel vogelsoorten in één keer bij elkaar zijn gezet, iets wat in de natuur onmogelijk zou zijn. „Al deze vogels kunnen we vandaag nog zien”, zegt Van Loo, „sommige zelfs meer dan vroeger - milieuvervuiling ten spijt.” Verder wijst hij er ter verklaring van deze soortenrijkdom op dat er een bostuin is afgebeeld met een gevarieerde begroeiing.
Bonte kraai
Zijn al deze vogels ook nu nog te zien? Van Loo had een kwarteeuw geleden misschien nog gelijk, maar voor één soort gaat dat niet meer op: de bonte kraai. „Die zie je vandaag de dag nauwelijks meer in ons land”, reageert Marieke Dijksman van Vogelbescherming Nederland. „Deze kraaiensoort heeft in Nederland nooit gebroed. Dat doet hij in Noord- en Oost-Europa. Tot de jaren 80 was het een zeer regelmatige wintergast die in grote groepen in ons land verbleef. Als we hem tegenwoordig nog tegenkomen gaat het om individuen of groepjes.” Bonte kraaien overwinteren steeds noordelijker, aldus Dijksman. „Dat komt deels doordat de landbouwgronden in het noorden van Europa de afgelopen jaren flink verbeterd zijn, waardoor er ook in de winter voedsel te vinden is. Een andere reden zou de klimaatverandering zijn.”
In het boek ”Wat is natuur nog?” (uitg. Sijthoff, 1978), met 24 schoolplaten van Koekkoek en tekst van dr. D. Hillenius, is ”Vogels in de winter” eveneens afgedrukt. Ook Hillenius, die Koekkoeks werk typeert als „fantasieloos realisme”, kon eind jaren 70 van de vorige eeuw nog stellen „dat je alle vogels die erop staan afgebeeld, nog regelmatig kunt tegenkomen.”
Koekkoek legde met zijn platen een tijdsbeeld vast, aldus Hillenius. „De vogels zijn idyllisch bij elkaar geplaatst, en ook wat er is afgebeeld laat zien wat er sinds die tijd is verdwenen aan planten, dieren en hele landschappen.” De auteur signaleert hoopvolle ontwikkelingen. „Het doel van Koekkoek was immers het opvoeden van de Nederlanders tot begrip van de rijkdom der natuur en de noodzaak haar te beschermen, en dat doel wordt steeds meer benaderd.” Hillenius wijst op het ongekend hoge aantal leden van natuurverenigingen en de betere wettelijke bescherming van natuur.
Een uitzondering op deze positieve balans maakt Hillenius voor de specht. „Spechten hebben het nu (eind jaren 70 van de vorige eeuw, AJ) wel moeilijk, vooral als gevolg van onze netheid: dode bomen moeten zo snel mogelijk gerooid en opgeruimd worden.” Hillenius’ commentaar is inmiddels verouderd, want dankzij ander bomenbeleid -dode bomen worden zo veel mogelijk in het bos achtergelaten- is de spechtenstand weer flink hersteld.
De netheidswaanzin waarover Hillenius schrijft, is niet verdwenen, maar treft nu een heel andere vogelsoort: de huismus. „Die is de laatste decennia drastisch afgenomen in ons land, met meer dan 50 procent”, zegt Dijksman. „We zijn te netjes geworden. Huizen worden goed geïsoleerd, gaten en kieren worden gedicht. Prettig voor ons, maar de mus kan daardoor moeilijk een plek te vinden om te kunnen broeden. Door het betegelen van de tuinen is het ook lastiger voor ze om voedsel te vinden.”