Dercks en De Koning, beiden actief voor de Zeeuwse afdeling van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, zijn gefascineerd door de restanten van het dorpje Oud-Rilland, enkele honderden meters buiten de dijk.
Kersenbomen
Samen met andere (amateur)archeologen brachten ze de afgelopen jaren het verdronken dorp in kaart. Zo vonden ze restanten van een boerderij en een boomgaardje, met onder meer appel- en kersenbomen. Ook lag er een onderdeel van een eeuwenoude boerenkar in de modder. Vandaag is in het dorpshuis in Rilland een expositie over het verdronken dorp geopend.
Tegelijk met tientallen andere Zeeuwse dorpjes verdween Oud-Rilland tijdens een stormvloed in 1530 in de golven. Dercks: „Aan het leven in de dorpen kwam bruusk een einde. Het is fascinerend en spannend om dan hier een soort tijdcapsule te vinden, waarin je sporen aantreft van het leven in de zestiende eeuw. Je beseft dat mensen hun bezittingen ineens aan het water moesten prijsgeven.” Niet alleen door natuurrampen, ook vanwege inundatie -het om militaire redenen onder laten lopen van land- werden mensen van huis en aard verdreven.
Bij afgaand water, zoals deze vrijdagmorgen, komen resten van Oud-Rilland bloot te liggen. Vlak bij het water raapt De Koning, projectleider van het onderzoek, een scherf op. „Grijs aardewerk van een waterkan van voor 1530”, weet ze na een snelle inspectie. „Dit soort aardewerkrestanten vinden we veel.” Ze wijst op een uitstulping aan een stukje van de bodem van een kan. „Dit zijn de pootjes waarop de kan staat.”
Verderop attendeert de onderzoekster op een hoop rood-zwarte bakstenen. „Dat zijn vermoedelijk de overblijfselen van een veldoven uit de periode rond 1500. Er werden stenen van klei in gebakken.” Even later wrijft ze de modder van een groot stuk geglazuurd baksteen. „Dit is nog een heel gave. Die moet afkomstig zijn van een woning met enige allure.”
Paaltjes
In het slik zijn nog altijd de contouren van het cultuurlandschap in en rond Oud-Rilland te zien. De Koning wijst op een geul die afloopt in een flauwe bocht. „Hier heeft waarschijnlijk een slootje gelegen.” Uit de modder steken een paar door het water aangetaste houten paaltjes. „Die waren onderdeel van een perceelafrastering.”
Typerend voor Oud-Rilland zijn de zogeheten moerneringsputten. Dat zijn afgegraven stukken veengrond. Veen (ofwel turf) diende als brandstof. Het water van de Westerschelde stroomt tussen de duidelijk zichtbare langwerpige vormen van de moerneringsputten. In de walletjes rond de afgegraven vakken zijn smalle gleufjes te zien. Op die plekken hebben veengravers in vroeger eeuwen hun spade ingestoken. „Hier is men duidelijk planmatig te werk gegaan”, legt Dercks uit. „Week in week uit hebben mensen hier veen afgegraven.” De Koning: „Je ziet als het ware zo voor je dat mensen in de weer waren met schop en kruiwagen.”
Paardengraf
Tot hun verrassing ontdekten onderzoekers vorig jaar een heus paardengraf in het slik, daterend uit waarschijnlijk de zestiende eeuw. „Toen een collega een paar ribben vond, kwamen we er achter dat er een groot beest begraven moest liggen”, vertelt De Koning. „De botten hebben we met z’n allen in teilen en emmers gedeponeerd en naar de dijk gesjouwd. Een veearts stelde later vast dat het een zieke hengst van ongeveer negen jaar jong moet zijn geweest.”
Terwijl De Koning en Dercks tussen eeuwenoude resten van bakstenen, potten, pannen en vergane boomresten lopen, varen op een steenworp afstand kolossale containerschepen op de Westerschelde, van en naar de haven van Antwerpen. „Fascinerend hè”, zegt Dercks. „Hier komen de 16e en de 21e eeuw bij elkaar.”
Dit is het vijfde deel in een serie over schatzoekers.