Tweede Mijl baken in de Jordaan
Er is haast bij, want tegen 11 uur komen de eerste bezoekers voor een douche en een broodje. „Op vrijdag komen verspreid over de dag zo’n 140 tot 200 gasten”, zegt teamleider Johan van Dam, geboren in Zuid-Afrika en sinds zes jaar in Nederland. Hij stuurt de groep van in totaal honderd vrijwilligers aan. Het mooie van de Tweede Mijl is volgens hem dat er christenen van allerlei pluimage werken. „Tussen de vrijwilligers zitten refo’s en evangelischen, Urkers en Veluwenaren. Kerkmuren vallen weg, omdat we gezamenlijk aan een taak werken.”
Vrijwilligers zijn onmisbaar, meent Van Dam. Hij pauzeert even, denkt na over een voorbeeld en zegt dan: „Harry, een kerel met lang haar, tatoeages en een grote hond. Hij was een triest geval, had allerlei ziektes. Een van onze vrijwilligers gaf hem een klein zakbijbeltje. Voorin zette ze haar adres en telefoonnummer. Harry ging in zijn Bijbel lezen en sprak er met anderen over. Altijd wees hij naar Boven, naar „Zijn Verlosser”, zoals hij dat zei.
Hij wist dat hij ging sterven. Toen de politie hem begin dit jaar dood vond, trof ze in zijn Bijbeltje het telefoonnummer aan van de vrijwilligster. Zo kwamen ook wij te weten dat Harry was overleden. De begrafenis was heel bijzonder. Harry’s familie zorgde aan de ene zijde van het graf voor rock-’n-roll. Wij zongen aan de andere kant een christelijk lied. De familie werd er stil van.”
Roerend in een pan soep fluit Nunspeter J. Aalberts een deuntje. Hij verkocht vorig jaar zijn banketbakkerszaak in Kampen en stortte zich op zijn taak bij de Tweede Mijl. „Het is prachtig werk. Het geeft me veel voldoening.”
Buiten, op de stoep bij de ingang van het inloophuis, oreert de thuisloze Jan –na zijn scheiding dertien jaar geleden op straat gekomen– tegen ieder die het maar wil horen. De Nederlandse immigratiepolitiek, de staat van Nederland en Wilders passeren de revue.
Jan wordt „mesjogge van al die Polen en Bulgaren. Ze zitten altijd aan je spullen. Als ik slaap, dán durven ze wel. Ik mag dan 64 zijn, maar als ze het overdag zouden doen, kan ik er nog best eentje een beuk geven.”
„Het wordt veel te druk in Nederland”, vervolgt hij zijn betoog. „Wilders, die zegt tenminste waar het op staat. Dit land is een puinhoop.”
„God heeft de vreemdeling lief, Jan, en jou ook”, probeert vrijwilligster Willy van de Wetering uit Wezep. Jan lijkt doof voor haar opmerking en wuift haar woorden met een handgebaar weg. „Het is soms zwaar als je mensen met het Evangelie benadert en geen voet aan de grond krijgt”, zegt ze. „Niet zo lang geleden was ik bij een prostituee. Ik heb met haar gebeden. Misschien zie ik die vrouw nooit weer. Ik heb moeten leren dat wij mogen zaaien, maar dat God Zelf voor de vrucht zorgt.”
Dit is het slot van een serie over de Amsterdamse wijk de Jordaan.