Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Tussen compromis en capitulatie

 Foto RD

Foto RD

Een goed jaar geleden leek het nog een fata morgana. Inmiddels is het een feit. Sinds dit voorjaar maakt een partij van Bijbelgetrouwe christenen deel uit van de regering. Maar met het aantreden van de ChristenUnie als coalitiepartner is de reformatie van ons volksleven nog niet gerealiseerd. Het ideaal van een christelijke staat lijkt verder weg dan ooit.
Eén ding is er in het afgelopen jaar in ieder geval wel bereikt. Liberalen en libertijnen zijn waakzamer dan ooit. HP/De Tijd had hen al in het najaar van 2006 voor het „gereformeerde gevaar” gewaarschuwd met een reeks portretten van 75 mannenbroeders die de veelzeggende titel meekreeg: ”Ze zitten overal”. Alsof het om een muizenplaag ging.

Met de komst van het vierde kabinet-Balkenende gingen bij vrijdenkers alle seinen op rood. Bakker, voormalig Kamerlid voor D66, toonde zich al voordat de handtekeningen onder het regeerakkoord werden gezet, uiterst bezorgd. Eind januari zei hij in de Volkskrant: „Christendemocratie betekent in the end, zeker met Rouvoet en Balkenende, dat men religieuze normen, ontleend aan een gewelddadig boek van tweeduizend jaar geleden, wil gebruiken om mijn keuzevrijheid te beperken.” Bakker was niet de enige die dit zei; veel politieke commentatoren spraken hun verontrusting uit. NRC-columnist Jan Blokker slaakte de kreet: „Help de gereformeerden komen er aan.”

Moed
Tegen die achtergrond kan men zeggen dat Rouvoet en zijn partij een behoorlijke moed toonden door in de regeringsboot te stappen. Er was beslist sprake van tegenwind. Desondanks gingen zij aan boord en voeren uit en ze hadden een vaste koers voor ogen: de verloedering van de maatschappij een halt toeroepen en hun steentje bijdragen aan de morele wederopbouw van ons land.

Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat de premier in voorgaande kabinetten onder zijn leiding zich daar ook al voor had ingezet. Balkenende staat in binnen- en buitenland immers bekend als de premier die de discussie over waarden en normen heeft geëntameerd. Maar met het toetreden van de CU tot de coalitie was de verwachting dat dit debat zou leiden tot concrete resultaten. Niet verwonderlijk dat vooral bij christenen de verwachtingen hooggespannen waren.

Misschien waren ze wel te hoog. Iedereen die het politieke spel kent, weet dat dit beheerst wordt door compromissen. Geen enkele partij slaagt erin helemaal haar zin door te drijven. Het is in Den Haag geven en nemen. Bovendien, veranderingen in de politiek gaan langzaam; vaak beperken ze zich tot het zetten van enkele accenten. Dat de CU ook punten uit haar programma heeft moeten prijsgeven, mag dus niemand verbazen. Een partij die dat niet wil, moet afzien van regeringsdeelname.

Geen harde afspraken
Toch is van meet af aan de vraag geweest of de CU bij de formatie wel voldoende punten heeft binnengehaald. De balans is in het achterliggende jaar verschillende malen opgemaakt. Op het terrein van medisch-ethische zaken werd in het regeerakkoord afgesproken dat er meer aandacht zou komen voor alternatieven voor abortus en euthanasie. Maar daarmee bleef de essentie van de bestaande wetten helemaal overeind: de keuzevrijheid van de burger werd niet begrensd. Weliswaar spraken de coalitiepartners af dat het begrip ”noodsituatie” opnieuw zou worden gedefinieerd, maar een expliciete uitspraak dat abortus niet kon bijvoorbeeld vanwege een beperkt lichamelijk gebrek, bleef achterwege.

Evenmin werd er een striktere bepaling voor de zondagsopenstelling van winkels afgesproken. Waarom heeft de CU niet bedongen dat alleen de minister zou vaststellen of een gemeente voldoende toeristische betekenis heeft om de winkels op zondag open te stellen? Dat zou ten minste een remmende werking hebben gehad. Nu kan nog steeds elk gemeentebestuur naar eigen inzicht de wetgeving interpreteren en iedereen weet dat dit ruim wordt gedaan.

Hoopgevende voornemens werden er wel in het regeerakkoord verwoord. Ieder die echter langer dan een jaar op het Binnenhof rondloopt, moet weten dat een belofte van beleidsontwikkeling nog niet betekent dat er inderdaad wetgeving komt. Half maart al zei staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid dat er deze kabinetsperiode niets zou veranderen op het terrein van abortus en euthanasie, en dat ondanks de afspraak van een herdefiniëring van het begrip ”noodsituatie”.

Trouwambtenaar
Op één punt leek het regeerakkoord helder. De gewetensbezwaarde trouwambtenaar zou het niet moeilijk worden gemaakt. Hoe dat uitpakte, is in de maanden na de regeringsverklaring duidelijk geworden. De afspraak tussen de coalitiepartners had voor de gewetensbezwaarde ambtenaren de werking van een boemerang. In plaats van dat er enige verlichting voor deze geprangde groep kwam, haalde het COC samen met de progressieve partijen de koorden om zijn hals strakker aan.

Het wrange is dat juist de homodiscussie onder dit kabinet een impuls heeft gekregen, die haaks staat op hetgeen de CU altijd heeft voorgestaan. Min of meer noodgedwongen heeft minister Rouvoet zelfs een wetsontwerp van het vorige kabinet over moeten nemen -en daar noodgedwongen zijn handtekening onder moeten zetten- dat adoptie door homoparen mogelijk maakt.

Alles overziende kan niet anders dan de conclusie getrokken worden dat de deelname van de CU aan de regering tot nu toe weinig stapjes in de goede richting heeft opgeleverd, althans zichtbare stapjes. Onbekend is natuurlijk wat zich achter de deuren van de Trêveszaal afspeelt. Niet mag worden uitgesloten dat er zonder de CU meer maatregelen zouden zijn genomen waar christenen verontrust over zouden zijn. Zo zijn er aanwijzingen dat de homonota die minister Plasterk in november uitbracht, verdergaand zou zijn geweest als de CU daar geen stokje voor had gestoken.

Is het allemaal negatief? Dat niet. Alleen al dat er meer aandacht is gekomen voor de betekenis van het gezin, verdient waardering. Het feit dat Nederland nu een minister voor gezinspolitiek heeft, is daarvan het bewijs. Evenzo is het winst dat er nadrukkelijker gewaarschuwd wordt voor verseksualisering van de samenleving, dat er wordt opgetreden tegen het gevaar van verslaving aan alcohol en gokken. Dat is beslist waar. Maar het saldo blijft teleurstellen voor hen die het Woord van God zien als de richtlijn voor het leven, zowel voor ieder persoonlijk als voor de samenleving.

Drie vragen
Natuurlijk is het gemakkelijk om vanaf de zijlijn commentaar te geven. Zolang men zelf niet aan het roer staat, kan men zich gedragen als de beste zeelui die aan wal staan. Die wetenschap moet voorzichtig maken met het oefenen van kritiek. Toch zijn er ten minste een drietal vragen te stellen aan de CU.

1. Is er bij de CU inderdaad, zoals EO-coryfee Knevel onlangs beweerde, sprake van een paradigmashift? Een vergelijking van de verkiezingsprogramma’s van 2003 en 2006 wijst wel in die richting. Was in 2003 nog de stelling „dat de overheid door God is aangesteld in Zijn diensten dat zij Hem daarom publiek moet eren en het beleid op Bijbelse waarden moet afstemmen”, drie jaar later is daar niets meer van terug te vinden.

Ook de doelstelling om de bestaande wetten op het terrein van abortus, euthanasie en homohuwelijk in te trekken, vindt men in het program voor 2006 niet meer terug. Opmerkelijk was tevens dat enkele vooraanstaande CU-leden eind januari in het Nederlands Dagblad stelden dat christianisering van de natie een onmogelijkheid is geworden. Vanwaar die ommezwaai?

2. Heeft de CU zich niet te veel laten leiden door de honger naar de macht? Niemand begeert de positie van de derde partij. Gegeven de verkiezingsuitslag van najaar 2006 zou de samenwerking tussen CDA en PvdA het best te realiseren zijn als de CU erbij kwam. Daarmee kreeg deze partij toch een uitgelezen kans om op een aantal punten winst binnen te halen. CDA en PvdA hadden de CU nodig en zouden daarom wellicht bereid zijn geweest wat verder in de richting van de CU te komen. Waarom zijn er geen helderder afspraken gemaakt? Als de CU minder gretig was geweest en haar positie beter had uitgebuit, was er mogelijk meer te halen geweest.

3. Dat er in de politiek compromissen moeten worden gesloten is duidelijk. Daarover geen misverstand. Maar het ene compromis is het andere niet. De ethicus Douma heeft ooit gesteld dat compromissen te rechtvaardigen zijn wanneer ze een stap in de goede richting betekenen. Daar is toch geen sprake van als bijvoorbeeld wetgeving wordt gerealiseerd waardoor homoparen kinderen adopteren? Waarom neemt de CU op dit soort ethische kwesties niet krachtiger stelling? Verschillende woordvoerders uit het libertijnse kamp hebben dit voorjaar gezegd helderheid te willen krijgen hoever ze met de CU kunnen gaan. Heel ver, zo is gebleken. Hier gaat het toch om een maatregel die rechtstreeks tegen het gebod van God ingaat? Daar valt toch niet mee te marchanderen?

Theorie en praktijk
Criticasters van de CU zullen wellicht nog enkele vragen aan dit drietal kunnen toevoegen. Toch past voorzichtigheid. In het algemeen geldt al dat het gemakkelijker is de vragen te stellen dan ze te beantwoorden. Politieke principes op papier zetten is nog iets anders dan ze in praktijk brengen en regeringsverantwoordelijkheid dragen een stuk moeilijk dan het beleid bekritiseren.

Door de regeringsdeelname van de CU is de vraag naar de praktische consequenties van de christelijke politiek weer hoog op de agenda gekomen. Dat vereist grondige doordenking. De kleine christelijke partijen hadden tot dit voorjaar nooit het pluche in Den Haag gevoeld. De CU heeft inmiddels ervaren dat het niet altijd even comfortabel zit.

Die herbezinning is ook nodig bij een partij als de SGP. Heel begrijpelijk dat sommige CU-leden hun staatkundig gereformeerde broeders erop wijzen dat zij gemakkelijk praten hebben, omdat ze niet in de regering zitten. Bij de SGP dient enerzijds begrip te zijn voor de moeilijke positie van de CU. Dat dwingt tot de nodige voorzichtigheid in het oordeel. Zouden de staatkundig gereformeerden er meer uitgehaald hebben? En zijn hun theocratische standpunten in de praktijk ook te realiseren? Dat is niet vast te stellen, zolang SGP-vertegenwoordigers buiten het kabinet blijven.

Anderzijds mag de SGP de CU aanspreken op de beginselen die deze partij en haar voorlopers jaren hebben uitgedragen. Was het niet de GPV’er Verbrugh die zich herhaaldelijk ontpopte als warm pleitbezorger van het ideaal van een reformatie van de samenleving?

Hernieuwde doordenking en toetsing aan de praktijk van de eigen opvattingen, betekent echter niet dat direct belangrijke uitgangspunten moeten worden prijsgegeven. De CU lijkt dat wel gedaan te hebben. Immers, de basis van Bijbelse genormeerde politiek is dat Gods gebod maatgevend is voor de samenleving en dat dit niet afhankelijk is van de vraag of daar een democratisch gevormd draagvlak voor is.

Bijna veertien jaar geleden schreef Rouvoet, toentertijd lid van de RPF-fractie, in een opstel in de bundel ”Uitgedaagd” dat een christen-polticus (zij het met pijn) compromissen moet sluiten, maar ervoor moet waken dat hij met het compromis zijn eigen uitgangspunten niet opgeeft. Dan is het compromis feitelijk een capitulatie, zo stelde hij glashelder. En de grens is dun. Bovendien voegde hij er toen aan toe dat „het compromis nooit eindresultaat kan zijn. Het draagt per definitie een voorlopig karakter. (…) Het is hooguit een onderbreking: voor nu akkoord, maar we komen er op enig moment op terug.”

De CU doet er goed aan nog deze kabinetsperiode op belangrijke punten van haar oorspronkelijke profiel terug te komen. Anders is het onderscheid met bijvoorbeeld het CDA wel erg mager geworden. Of de CU gaat weer voor het oude ideaal van een gekerstende samenleving of ze vervlakt tot een partij met noties van dienstbetoon en naastenliefde. Hoe belangrijk die kernwoorden ook zijn, ze zijn niet onderscheidend. Ook andere partijen hebben ze in hun program. De CU had vanouds een eigen geluid, dat getoonzet was door duidelijk Bijbelse noties. Daar zal de partij op moeten teruggrijpen.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek