De Tweede Kamer debatteerde woensdag met de ministers Ter Horst (Binnenlandse Zaken) en Van der Laan (Integratie) over de nota ”Religie en publiek domein”, een handreiking voor gemeentebestuurders voor een ontspannen omgang met religieuze organisaties. Van der Staaij prikkelde zijn collega-Kamerleden met de stelling dat godsdiensten ongelijk zijn en ongelijk behandeld kunnen worden.
„Ja, een beetje meer discriminatie op dit punt zou geen kwaad kunnen”, zei hij. „Er is de laatste jaren sprake van een star, formalistisch gelijkheidsdenken. Maar er zit een wereld van verschil tussen orthodoxe dominees en orthodoxe imams.”
Van der Staaij riep het kabinet op om de „grote verschillen tussen godsdiensten” te erkennen en in beleid te verwerken.
„Weet u wel waar u aan begint”, vroeg PvdA-Kamerlid Heijnen aan de SGP’er. „We hebben in Nederland na eeuwen, met bloed, zweet en tranen, een evenwicht gevonden om goed met de religieuze verschillen om te gaan.”
Van der Staaij wees op een schilderij in de vergaderzaal van Groen van Prinsterer, de negentiende-eeuwse christenpoliticus: „Groen van Prinsterer hield rekening met andersdenkenden. Maar hij leverde niet zijn eigen identiteit in. Nederland is geen land waar we de islam en het christendom op één lijn moeten stellen. Het wordt tijd dat we de multiculturele droom achter ons laten.”
Zijn pleidooi schoot veel Kamerleden in het verkeerde keelgat. „U heeft last van een islamallergie”, verweet GroenLinkser Azough hem.
Ook minister Ter Horst vond dat Van der Staaij het „een beetje bont” maakte. „De overheid mag niet de ene religie boven de andere stellen.” Ze beaamde dat Nederland een christelijke traditie kent. Maar: „We hebben een andere werkelijkheid. In Limburg is de islam nu de tweede godsdienst.”
Minister Van der Laan sloot zich wel aan bij de klacht van de SGP’er over de gang van zaken op de autoloze zondag. Vanwege het Suikerfeest werden er in Amsterdam scooters ingezet om moslim in de stad te brengen. Van der Laan erkende dat dat „niet verstandig” was; er werd een bepaalde groep voorgetrokken.
Niet iedereen ervoer het debat als zinvol. „Een discussie als deze voer ik het liefst na acht uur ’s avonds, met een goed glas wijn”, merkte D66-leider Pechtold droogjes op.