Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

„Leg visie op homoseksualiteit niet op”

 VAN GENUGTEN ...opgeheven vingertje...

VAN GENUGTEN ...opgeheven vingertje...

DEN HAAG - Nederland moet andere landen zijn kijk op mensenrechten niet opdringen, vindt prof. dr. W. J. M. van Genugten van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), maar diversiteit respecteren. „Op een punt als homoseksualiteit moet je voorzichtig opereren.”
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bestaat woensdag zestig jaar. In die tijd is ze, volgens de AIV, „de breed aanvaarde norm voor de internationale moraal geworden.” Niet ieder land legt ze echter op dezelfde manier uit. Hoeft ook niet, zegt de AIV. Landen moeten tot op zekere hoogte de ruimte hebben om de universele mensenrechten op hun eigen manier in te vullen die past bij hun religie, cultuur of politieke traditie.

Van Genugten, hoogleraar internationaal recht in Tilburg en voorzitter van de commissie die een advies schreef over de universaliteit van mensenrechten, stelt dat er een aantal absolute rechten is, waaraan niet mag worden getornd. „Het recht op leven, bijvoorbeeld. Daarnaast zijn foltering, rassendiscriminatie en het moedwillig onthouden van voedsel niet te tolereren.”

Bij welke rechten hebben landen wel ruimte voor een eigen invulling?
„Landen hebben een behoorlijke beleidsvrijheid om bijvoorbeeld het recht op een eerlijke rechtsgang vorm te geven. De internationale consensus is dat mensen recht hebben op een eerlijke procesgang en een onafhankelijke rechtspraak. Maar niet ieder land hoeft, om maar iets te noemen, dezelfde termijnen te hanteren waarbinnen iemand zijn dagvaarding ontvangt.”

Islamitische landen stellen de sharia boven internationale mensenrechten. Mogen zij dat doen?
„Als die landen de sharia gebruiken om vrouwen te discrimineren of om vrouwenbesnijdenis te rechtvaardigen, dan moet Nederland hen er op wijzen dat dat strijdt met het internationale recht en dat zo’n land zich daarop zou moeten bezinnen. Tegelijkertijd geldt voor die landen de vrijheid van godsdienst. Dat maakt het lastig om in algemene zin te bepalen tot hoever de sharia de ruimte moet krijgen.

Onze minister van Buitenlandse Zaken moet proberen de scherpe kantjes van de sharia steeds met die landen te bespreken, zodat ze steeds meer opschuiven naar een samenleving waarin fundamentele rechten worden gerespecteerd.”

Nederland voert wereldwijd een actief homo-emancipatiebeleid. Andere landen beschouwen homoseksualiteit als iets onnatuurlijks. Dat botst regelmatig.
„Wij moeten hierin voorzichtig opereren. In elk geval niet met het klassieke opgeheven vingertje aankomen en zeggen: Jullie zien het fout, dit is de norm, zo moet het. Dat is niet goed. De minister van Buitenlandse Zaken moet andere landen niet onze argumenten opleggen, maar met ze in discussie gaan op grond van de internationaal erkende rechten van homo’s. Dat ze niet gediscrimineerd mogen worden, bijvoorbeeld.

Bij het homohuwelijk ligt dan anders. Het internationale recht gaat daar niet over, dus dat kunnen we ook andere landen niet voorhouden en al zeker niet opleggen.”

Andere landen stellen dat Nederland met zijn euthanasiewetgeving afbreuk doet aan het absolute recht op leven. Hebben zij gelijk?
„Ook op dit punt geldt dat wij andere landen onze wetgeving niet als maatgevend moeten voorhouden. Zij hebben altijd de vrijheid hier anders mee om te gaan. We kunnen hun beargumenteerd uitleggen waarom wij euthanasie toestaan, namelijk omdat wij vinden dat mensen ook recht hebben op een humaan levenseinde. Onze argumenten moeten anderen uiteindelijk op andere ideeën brengen.”

Nederland is op de vingers getikt omdat de SGP in strijd met internationale regels vrouwen zou discrimineren. Maar moet die partij niet de ruimte hebben om daar haar eigen invulling aan te geven?
„Dit is een razend ingewikkeld vraagstuk. Volgens de VN heeft het SGP die ruimte niet, omdat de partij vrouwen ongelijk behandelt; volgens de Raad van State is die ruimte er wel omdat er genoeg politieke parijen zijn waar vrouwen terechtkunnen. Vanuit een hard mensenrechtenstandpunt hebben de VN gelijk, vanuit een standpunt van culturele diversiteit staat dat nog te bezien. De Hoge Raad, en dat is precies waar de AIV ook in algemene zin voor pleit, gaat zich er nu over uitspreken. Die heeft het laatste woord.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek