Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Hirsch Ballin kan Plasterk lesje leren

 Een bezinnings- en gebedsbijeenkomst in de Rotterdamse Ahoy naar aanleiding van de aangekondigde Wet gelijke behandeling werd in 1981 massaal bezocht. Foto RD, Henk Visscher

Een bezinnings- en gebedsbijeenkomst in de Rotterdamse Ahoy naar aanleiding van de aangekondigde Wet gelijke behandeling werd in 1981 massaal bezocht. Foto RD, Henk Visscher

Welke ruimte is er voor christelijke scholen om praktiserende homoseksuelen te weren? De marges zijn smal, zo leert een duik in de wetsgeschiedenis. Maar niet zo smal als de Commissie Gelijke Behandeling wil doen geloven. Dat bewijst ook het recente advies van de Raad van State.
De discussie over homoseksualiteit en bijzondere scholen laait de laatste maanden weer hoog op. Minister Plasterk van Onderwijs, die ook verantwoordelijk is voor emancipatie, stookt het vuurtje keer op keer flink op. In brieven wrijft hij het bijzonder onderwijs keer op keer in dat het een praktiserende homoseksueel niet mag weigeren als leerkracht, daarbij vergetend dat er bijkomende omstandigheden kunnen zijn die het maken van onderscheid wel rechtvaardigen.

De publiciteit rond een leerkracht van de School met de Bijbel in Emst die met een vriend ging samenwonen, zorgt ook voor olie op het vuur. Minister Plasterk doet in een Kamerdebatje daarover homobelangenorganisatie COC de omstreden suggestie aan de hand om de school voor Commissie Gelijke Behandeling te dagen.

Binnen enkele weken debatteert de vaste Kamercommissie voor onderwijs over homo-emancipatie. Daarbij zal de situatie op bijzondere scholen uitgebreid aan de orde komen. Aanvankelijk zou de commissie op 18 juni donderdag bijeenkomen, maar donderdag werd besloten de vergadering uit te stellen.

Misverstanden

Er bestaan veel misverstanden over de reikwijdte van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), die discriminatie verbiedt, en over de uitzonderingsbepaling die deze wet voor het bijzonder onderwijs kent.

De AWGB is bedoeld als uitwerking van artikel 1 van de Grondwet uit 1983. Die bepaalt dat elke Nederlander in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld. (Zie citaat 1 op deze pagina.) Ter uitwerking van deze bepaling uit de Grondwet is de Algemene wet gelijke behandeling aangenomen door Tweede en de Eerste Kamer. In 1994 verscheen de wet in de Staatscourant. De hoofdlijn van de wet is dat discriminatie niet mag. (2) De wet gaat niet alleen over de verhouding tussen overheid en burger, de zogenaamde verticale werking, maar ook over de verhouding tussen burgers onderling, de horizontale werking. Concreet gaat het dan over werk, school, koop, verkoop, diensten en maatschappelijke organisaties.

Direct bij de verschijning van het voorontwerp van een Wet gelijke behandeling in 1981 komt de vraag op of christelijke scholen homoseksuelen als leerkracht mogen weigeren.

De emoties lopen hoog op. Staatssecretaris Kraaijeveld-Wouters van CRM, lid van het CDA, zegt dat de apostel Paulus met zijn visie op homoseksualiteit ook maar een man van zijn tijd was. PvdA en VVD tamboeren op gelijke behandeling, willen niets van uitzonderingsbepalingen weten en komen zelf met initiatiefwetsvoorstellen. Bezwaarden organiseren handtekeningenacties en protestbijeenkomsten. De vrees bestaat dat de overheid de klassieke vrijheidsrechten van godsdienst, onderwijs, meningsuiting en vereniging uitholt.

Zware slag

Uiteindelijk spreken CDA en PvdA bij de totstandkoming van het kabinet-Lubbers/Kok in 1989 af dat er een Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) komt met daarin een aantal uitzonderingsbepalingen. De Raad van State adviseert negatief over de hele wet, vindt dat de noodzaak onvoldoende is aangetoond en vraagt zich af of de vrijheid van onderwijs voldoende is geborgd.

Kern van AWGB is dat discriminatie verboden is, maar dat er enkele uitzonderingen zijn, bijvoorbeeld voor levensbeschouwelijke instellingen, politieke partijen en scholen. Maar nooit mag het enkele feit dat iemand homoseksueel is en/of samenwoont een grond zijn voor weigering of ontslag. Een zware slag voor de bevolkingsgroep die zijn leven volgens Bijbelse normen wil inrichten. GPV-Kamerlid Schutte constateert: „De totstandkoming van de Algemene wet gelijke behandeling zal een voorlopig dieptepunt vormen van een proces van verdringing van christelijke normen en waarden door een nivellerend staatsethos.”

De opmerking van minister Dales van Binnenlandse zaken dat de kleine protestantse partijen zich buiten de discussie plaatsen omdat ze homoseksualiteit zonde noemen, komt hard aan: „Ik weet en begrijp dat drie partijen dit in de categorie van zonden zetten. Daarmee onttrekken zij zich aan de discussie. Dat is buitengewoon pijnlijk voor die partijen. Het is voor mij ook pijnlijk om met enkele partijen wat dat betreft niet meer van gedachten te kunnen wisselen, want wij komen niet meer bij elkaar. Ik kan echter niet anders dan zeggen dat het in de wet niet anders zal zijn.”

Omdat de kleine christelijke fracties het pleit voor een Bijbelse normering verliezen, probeerden ze zo veel mogelijk helderheid te krijgen over de reikwijdte van de uitzonderingbepalingen. Bijkomende omstandigheden, bijvoorbeeld dat de betrokkene geen bijdrage levert aan de verwezenlijking van de grondslag van de school, kunnen wel reden zijn voor ontslag, zo staat in de AWGB, maar het enkele feit niet. (3)

Tijdens het debat over deze wet leidt deze bepaling tot uitgebreide discussies. Niet alleen de SGP’er Van den Berg, RPF-voorman Leerling en GPV’er Schutte, maar ook de libertijnen van VVD, GroenLinks en D66 willen precies de grenzen weten. Maar de regering blijft in algemene termen praten, temeer omdat er een Commissie Gelijke Behandeling komt die in concrete gevallen uitspraak gaat doen.

Afkeurenswaardig

Minister Dales legt tijdens het debat sterke nadruk om de bepaling dat bijzondere scholen homoseksuelen niet mogen weren, niet vanwege hun geaardheid, maar ook niet vanwege het aangaan van een relatie. (4)

Minister Hirsch Ballin van Justitie –inderdaad, dezelfde als nu– licht tijdens hetzelfde debat de reikwijde van de enkelefeitconstructie toe. (5) Hij stelt dat er bijkomende omstandigheden kunnen zijn die het mogelijk maken dat er wel reden is voor ontslag. Tijdens de schriftelijke behandeling van de wet in de Eerste Kamer brengt de regering dit nog eens nadrukkelijk onder de aandacht van de senatoren. (6)

De conclusie is dat de uitzonderingsbepaling scholen ruimte biedt om leerkrachten in het uiterste geval te ontslaan of bepaalde sollicitanten te weigeren als ze de visie van de school op homoseksualiteit en alle gedragingen die daarbij horen, niet uitdragen. De redenering is dan als volgt: Een school mag uitdragen dat homoseksualiteit afkeurenswaardig is. De school mag ook eisen dat alle leerkrachten dat doorgeven. Iemand die de Bijbelse visie op homoseksualiteit uitdraagt op school en in zijn privéleven dat wat zonde is, zelf uitleeft, heeft een geloofwaardigheidsprobleem. Het kan ook zo zijn dat een leerkracht de Bijbelse visie van de school op homoseksualiteit en samenwonen niet wil uitdragen. Dat zijn dan de bijkomende omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor ontslag.

Helemaal in lijn hiermee stelde de Commissie Gelijke Behandeling enkele jaren geleden een oordeel op naar aanleiding van een klacht over een reformatorische school. Die vroeg van leerkrachten een verklaring te ondertekenen waarin onder meer staat dat ongehuwd samenwonen en een homoseksuele levenswijze afgewezen worden vanwege strijdigheid met Gods Woord. De commissie oordeelde dat de school door de gevraagde ondertekening van het formulier een eis stelt die gelet op zijn doel noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar grondslag. En dat is niet tegen de AWGB. (7)

In een nieuw advies –dit voorjaar uitgebracht– zet de CGB een wissel om. Daarin staat dat scholen een dergelijke verklaring niet aan hun leerkrachten ter ondertekening mogen voorleggen. (8) Minister Plasterk haakt daar met graagte op in. ChristenUniesenator Lagerwerf-Vergunst legt begin mei in deze krant de vinger bij deze geruisloze ommezwaai van de commissie. In een interview met deze krant van gisteren bevestigt de voorzitter van de CGB, Koster, de nieuwe koers.

De vraag is of de commissie met dit advies haar boekje niet te buiten gaat. Dat lijkt er wel op. Tijdens het debat in de Tweede en de Eerste Kamer over de AWGB in 1993 kwam ook de vraag aan de orde wie mocht toetsen wat scholen als doelstellingen formuleren en in welke mate. De opstelling van minister Hirsch Ballin was daarin heel helder. Dat is de school zelf. (9)

Uitgelekt

In het deze week uitgelekte advies van de Raad van State over de afschaffing van de enkelefeitconstructie legt het hoogste adviesorgaan ook nog eens uit wat de strekking is van de uitzonderingsbepaling. (10) Vertaald naar een praktiserende homoseksuele leerkracht betekent dat het volgende. Een homoseksuele leefwijze op zich mag geen reden zijn voor ontslag, maar als de leefwijze van de betrokken leerkracht niet overeenkomt met de grondslag van de school, dan is die reden er wel. Daarmee legt de Raad van State de bepaling heel anders uit dan de CGB en dan minister Plasterk.

De alternatieven voor de enkelefeitconstructie die de Raad van State op verzoek van het kabinet voorstelt bieden het bijzonder onderwijs zeker zo veel bescherming als de huidige bepalingen in de AWGB. (11) Wie de formulering leest, kan niet volhouden dat orthodoxe scholen praktiserende homoseksuele leerkrachten moeten accepteren. Het verbod op het ondertekenen van een verklaring waarin een homoseksuele leefwijze wordt afgewezen, past daar helemaal niet in.

Misschien kan de CDA’er Hirsch Ballin, die nu opnieuw minister van Justitie is, zijn collega Plasterk (PvdA) nog eens een klein college geven over reikwijdte van de AWGB. Dat zal het voor de sociaaldemocraten in het kabinet gemakkelijker maken zich te scharen achter het advies van de Raad van State.


Citaten

1. In artikel 1 van de Grondwet staat: „Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

2. De aanhef van de Algemene wet gelijke behandeling luidt: „Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede in verband met artikel 1 van de Grondwet, ter bevordering van de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven bescherming te bieden tegen discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, dat het daarom wenselijk is behoudens wettelijke uitzonderingen onderscheid op deze gronden te verbieden.”

3. In de uitzonderingsbepaling in de Algemene wet gelijke behandeling voor het onderwijs (artikel 5, lid 2c) staat letterlijk dat het verbod op discriminatie onverlet laat „de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om eisen te stellen over de vervulling van een functie, die, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.”

4. Minister Dales van Binnenlandse Zaken tijdens de behandeling van de AWGB in de Tweede Kamer (februari 1993): „Concreet gaat het om de vraag of een homoseksuele leerkracht, die niet mag worden afgewezen louter vanwege zijn homoseksualiteit, wel zou mogen worden afgewezen omdat hij een relatie heeft of met die relatie samenleeft. Ik wil hier geen misverstand over laten bestaan: dat mag dus niet. Het enkele feit van de seksuele gerichtheid ziet op de gerichtheid van een persoon in seksuele gevoelens, liefdesgevoelens, liefdesuitingen en -relaties.”

5. Minister Hirsch Ballin van Justitie over de betekenis van de enkelefeitsconstructie tijdens de behandeling van de AWGB in de Tweede Kamer: „De redenen waarom wij die woordkeus hebben gebezigd, is dat het enkele feit, dus geïsoleerd beschouwd, van seksuele gerichtheid, van al dan niet samenwonen of van andere punten die hierbij een rol spelen, niet de grond mag zijn waarop men zegt: u hoort hier niet, u hoort hier wel. Dit betreft het enkele feit, maar het kan zijn dat er feiten zijn die daarmee in een zeker verband staan, betrekking hebbende op de mogelijkheid om te functioneren als leerkracht in die school en op het dragen en mee uitdragen van de overtuiging, en dat die feiten wel relevant zijn.”

6. De memorie van antwoord van het kabinet over de AWGB aan de Eerste Kamer in 1993, paragraaf 4.1: „Het enkele feit van, bijvoorbeeld, iemands seksuele gerichtheid en het al dan niet samenwonen, homo- of heteroseksueel, is geen gerechtvaardigde grond voor het maken van onderscheid. Maar wanneer, meer dan het enkele feit, een leerkracht niet langer de overtuiging van de school uitdraagt, dan –en op die grond– is er iets anders aan de hand, namelijk het functioneren van die leerkracht in het verband van de school. De instelling van bijzonder onderwijs zal aan de hand van doel en grondslag van de instelling moeten aangeven dat de bedoelde gedragingen van de leerkracht afbreuk doen aan het uitdragen van de overtuiging door de leerkracht.”

7. Oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling over een reformatorische school die leerkrachten een verklaring laat ondertekenen onder andere over homoseksualiteit, enkele jaren geleden: „De Commissie concludeert op grond hiervan dat de school door de gevraagde ondertekening van het formulier een eis stelt, die gelet op haar doel noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar grondslag. De Commissie constateert dat de school op grond van de AWGB de vrijheid heeft eisen te stellen die nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag.”

8. Advies van Commissie Gelijke Behandeling dit voorjaar: „Wanneer in de uitwerking bijvoorbeeld is opgenomen dat de grondslag onder meer inhoudt dat opvattingen over relaties en huwelijk zijn gebaseerd op de Bijbel en dat derhalve ongehuwd samenwonen of het hebben van een homoseksuele relatie niet past binnen deze opvattingen, dan maakt de onderwijsinstelling onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.”

9. Minister Hirsch Ballin in 1993 over de bevoegdheden van scholen om op basis van hun grondslag eisen te stellen aan leerkrachten: „In het nader rapport over dit wetsvoorstel hebben wij geschreven, dat wij het met de Raad van State eens zijn, dat het primair aan de betrokken instelling is om te bepalen welke eisen behoren te worden gesteld met het oog op de verwezenlijking van de grondslag van de betrokken instelling.”

10. De Raad van State legt in het jongste advies de reikwijdte uit van de uitzonderingsbepaling: „De enkelefeitconstructie beoogt vast te leggen dat inherente persoonskenmerken als zodanig in redelijkheid niet als een criterium kunnen worden beschouwd dat bij arbeid in of toelating tot een identiteitsgebonden instelling met het oog op die identiteit relevant kan en mag zijn. Er kunnen evenwel bijkomende omstandigheden zijn die verband houden met een dergelijk persoonskenmerk en die wel relevant zijn met het oog op de identiteit.”

11. Het alternatief van de Raad van State dat zo dicht mogelijk aansluit bij de huidige enkelefeitconstructie: Het verbod op discriminatie „laat onverlet de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om eisen te stellen over de vervulling van een functie die nodig zijn voor de verwezenlijking van de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag en die gelet op de grondslag en de aard van de specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgeoefend, een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen met het oog op een houding van goede trouw en loyaliteit aan deze grondslag.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek