Maar het „mediamomentje” liep uit op een fiasco. In kranten overheersten slechts één zinnetje van Rutte. Desgevraagd had de fractievoorzitter gezegd dat de ontkenning van de Holocaust een „idiote stelling” is maar wel „gezegd moet kunnen worden.” In Utrecht werden VVD-verkiezingsposters beklad met hakenkruisen. NRC Handelsblad vergeleek Rutte met de Franse antisemitische politicus Le Pen die de gaskamers een „point de détail” in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog had genoemd.
„Een krankzinnige hetzerigheid”, zo noemt Atzo Nicolaï (49) het nu, een paar weken later. In de rust van zijn statige werkkamer vertelt hij over de motieven achter zijn voorstel. Want de vragen, die blijven. Staat de vrijheid van meningsuiting echt onder druk? Wat is de relatie tussen vrijheid en verantwoordelijkheid? En: hoezeer hecht hij aan ruimte voor religieuze minderheden?
Zelfcensuur
Ja, hij maakt zich „echt zorgen”, zegt Nicolaï. „Cabaretiers, kunstenaars en columnisten houden zich in uit angst voor bedreigingen.” En nee, dat zegt hij niet uit politiek gewin. De oud-minister spant zich al jaren in voor een vrije expressie.
Nicolaï: „Eigenlijk is de strijd voor het vrije woord een van de redenen dat ik in de politiek zit. Ik ben er diep van overtuigd dat de vrijheid van denken, van praten, van discussiëren ongeveer de belangrijkste vorm van vrijheid is.”
Hij parafraseert dichter en verzetsheld H. M. van Randwijk. „Een volk dat voor terroristen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.” Het klinkt wat zwaar en groot, geeft hij toe. „Maar toch hebben we sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer meegemaakt dat een columnist, die zich in het vrije debat scherp uitlaat, een reële angst voor bedreigingen moeten hebben.”
Is er echt sprake van een toename van zelfcensuur en bedreigingen? Kunt u voorbeelden noemen?
„Ja, absoluut. De cartoonist Gregorius Nekschot voelt zich belemmerd in zijn expressie. Columnist Paul Cliteur heeft gezegd zich in te houden. Sommige politici zeggen: „Het gaat om een handjevol mensen.” Als ze dat zeggen, dan is dat alleen maar een bewijs van het probleem. Er zíjn columnisten die zich minder scherp uitlaten, en we laten dat sluipenderwijs toe – daar begint mijn zorg.”
Er zijn toch al voldoende wettelijke waarborgen voor een hard of ongemakkelijk debat?
„Nee, de wet biedt onvoldoende bescherming en is op een aantal punten onduidelijk. Dat blijkt wel uit de jurisprudentie. Zo had zowel de rechtbank als het gerechtshof in Den Bosch een man veroordeeld die achter zijn raam een poster had opgehangen met de tekst ”Stop het gezwel dat islam heet”. En een nog duidelijker voorbeeld is het bevel van het gerechtshof in Amsterdam om Wilders te laten vervolgen voor zijn anti-islamuitspraken.”
Er zijn maar heel weinig voorbeelden te noemen van een succesvolle vervolging op grond van belediging. De rechter laat altijd de context meewegen; in de meeste gevallen blijkt hij tot de conclusie te komen dat kwetsende uitlatingen bijdragen aan een maatschappelijk debat.
„Dat klopt. Maar de verdachte leeft wel in grote onzekerheid, en dat moet je niet onderschatten. Neem de zaak-Nekschot: hij tekent een cartoon, wordt plotseling van zijn bed gelicht en heeft een strafrechtelijke procedure aan zijn broek. Nekschot, met wie wij contact hebben, durft bijna niets meer te doen. Het gaat me niet om het belang van deze persoon, er zijn meer mensen die slecht slapen. Het gaat me om het principiële punt: Nekschot staat voor de vrijheid. Dan is het te gemakkelijk om te zeggen: het komt wel goed in de uiteindelijke uitspraak. Daarvoor is er te veel onzekerheid aan voorafgegaan.”
Verruwing
Burgers moeten alles kunnen zeggen, zo luidt de stelling van Nicolaï. Nou ja, bijna alles. Zolang iemand maar niet oproept tot geweld of discriminatie. Bedreigingen moeten harder worden gestraft. Alle andere wettelijke beperkingen, zoals groepsbelediging en godslastering, kunnen worden geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht. Want, zo vindt de VVD’er, „fatsoen valt niet bij wet te regelen.” Later dit jaar komt hij met een initiatiefwetsvoorstel.
Uw voorstel kan leiden tot ernstige verruwing van het maatschappelijke debat.
„De angstbeelden, de vooroordelen, de afkeer en de xenofobie – die zijn er nu eenmaal in de samenleving. Dan kom je op de politieke vraag: willen we dat wegstoppen of willen we dat in de openbaarheid hebben? Ik geef toe: dat is kiezen uit twee kwaden. Ik hecht er zelf ook aan in een redelijke wereld te leven, met mensen die respectvol zijn. Maar ik vind het gevaarlijk om weerzinwekkende uitlatingen weg te moffelen.”
Waarom is dat gevaarlijk?
„Het gevaar bestaat van een soort parallelle werkelijkheid van mensen op straat en de politiek. Dat is een tijdbom. Op enig moment breekt die onvrede op straat door naar de politiek. En dan is het als bij een dijkdoorbraak: politici hebben er onvoldoende antwoord op.
Wilders maakt gebruik van die onvrede op straat. De grote aanhang van de PVV is precies dit: de uitgestelde onvrede over de politieke correctheid. Tot in de jaren negentig mocht je geen kwaad woord over allochtonen spreken. Als reactie op die politieke correctheid kregen we een crisis in de cohesie van onze samenleving. Ineens kwamen er heel veel angstbeelden en discriminatoire gevoelens naar boven.
Wilders is niet respectvol. Absoluut niet. Hij bespeelt het sentiment van moslimsangst. In die zin is hij klassiek-populistisch: hij wakkert op een onbeschaafde manier het vuur aan van onlusten jegens moslims, en omdat die emoties zo heftig zijn als ze zijn, hoeft hij ook niet met een realistische oplossing te komen.
Maar je moet het sentiment van moslimangst niet bespelen, je moet het kanaliseren, heel serieus nemen en opnemen in je eigen politieke visie.”
U zegt: Wilders doet grievende uitlatingen, maar we moeten ze wel toestaan.
„Inderdaad. De paradox is: als Wilders minder mag zeggen, gaan er meer mensen op de PVV stemmen. Die onderstroom vindt dan geen kanaal naar buiten toe. Je moet erupties voor zijn, als we al niet te laat zijn. Wilders moet zijn gedachten vooral voor de camera’s en in de kranten uitspreken. Dan weten we tenminste waar zijn angst zit en zijn overdrijving, en dan kunnen we hem beter bestrijden.”
Wordt de grens tussen woord en geweld met uw voorstel niet juist kleiner? Net als Wilders zullen ook imams zich vrijer kunnen voelen om radicale taal uit te slaan.
„Nee, dat klopt niet. Ook bij verruiming van de wet mogen woorden nooit aanzetten tot gewelddadig of discriminatoir gedrag. En zonder het strafrecht te gebruiken kun je natuurlijk wel eisen stellen aan een verblijfsvergunning, zoals de inburgeringscursus. En als hij een Nederlandse nationaliteit bezit, ja, dan kan hij strafrechtelijk natuurlijk niet anders worden aangepakt dan andere Nederlanders.”
Religieuze minderheid
Nicolaï zwijgt even. Een paar weken geleden had hij in het voorbijgaan ChristenUnieleider en vicepremier Rouvoet gesproken, herinnert hij zich. Nicolaï: „Rouvoet verwijt de VVD de vrijheid van meningsuiting boven de vrijheid van godsdienst te plaatsen. Maar de grap is: in mijn voorstel zit bij uitstek respect voor die meningen die je niet deelt, zoals bepaalde opvattingen vanuit orthodox-christelijke hoek. Eigenlijk zou Rouvoet de grootste voorstander van mijn voorstel moeten zijn.”
Voor een democratie is het essentieel dat een minderheid, zoals een religieuze groep, er mag zijn. In hoeverre maakt u zich daar nog druk om?
„Dat is bijna wat mij drijft, zou ik zeggen. Een democratie is veel meer zijn dan de helft plus één. In een democratie gaat het niet om de meerderheid, zoals zo vaak wordt gezegd, maar om de vraag hoe je omgaat met de minderheid.”
Een evangelische voorganger noemde homoseksualiteit in een ingezonden brief in het dagblad Tubantia een „vieze en vuile zonde” en werd voor de rechter gedaagd. Hij is vrij om dat te zeggen?
„Ja, op grond van de vrijheid van meninguiting mag hij dat zeggen.”
Imam El Moumni vergeleek homoseksualiteit met een besmettelijke ziekte en hij zei dat homoseksualiteit schadelijk is voor de samenleving. Hij mag dat zeggen?
„In principe zeg ik: hij zou dat moeten kunnen zeggen. Maar er is wel een verschil met de evangelische voorganger. Ik zie vanuit christelijke hoek al dertig jaar geen agressief gedrag meer jegens homoseksuelen. Het gebeurt wel dat moslims homoseksuelen van hun fiets trekken. Daarom zou ik als rechter wel heel precies willen weten in welke context de imam zijn uitspraken deed.”
Steeds meer juristen pleiten voor afschaffing van de grondwettelijke godsdienstvrijheid. De vrije uitoefening van het geloof wordt volgens hen al voldoende gegarandeerd door de vrijheden van meningsuiting, vergadering en vereniging. Wat vindt u van die opvatting?
„De vrijheid van meningsuiting is breder, of andersom gesteld: de vrijheid van godsdienst is een soort verbijzondering van de vrijheid van meningsuiting. Nee, ik zeg niet dat de vrijheid van godsdienst kan worden afgeschaft. Dat grondwetsartikel past in de Nederlandse traditie. Maar ik denk wel dat de vrijheden van meningsuiting, vergadering en vereniging de beste garanties bieden om het geloof te kunnen blijven belijden. Er is in onze hedendaagse samenleving zo’n veelheid aan overtuigingen.”
Is het niet juist een principe van de democratische rechtsstaat dat je op allerlei manieren, en juist ook in het publieke leven, invulling kunt geven aan iets wat je diep vanbinnen gelooft?
„Absoluut. Maar waarom is het diepe geloof in het bestaan van een God dieper dan mijn overtuiging dat er geen God is? Ik zie niet in waarom de opvatting van een gelovige meer bescherming zou moeten krijgen dan die van mij. Geef iedereen dezelfde ruimte, of het nu het geloof in de wetenschap, in de vooruitgang of in een hogere macht is.”
Grondwet weer discussiestuk
De discussie over de vrijheid van meningsuiting staat niet op zichzelf. De Nederlandse Grondwet lijkt sinds een paar jaar weer een discussiestuk.
Lange tijd was de Grondwet vooral een rustig bezit, over de grondrechten bestonden geen grote controverses. Maar dat is aan het veranderen.
Sinds de aanslagen op de Twin Towers in 2001 is de discussie over de grondrechten in een stroomversnelling geraakt. Door het debat over de multiculturele samenleving werd de vraag naar de relevantie van Grondwet, uitdrukking van de nationale identiteit, hoogst actueel. En het debat over terrorismedreiging plaatste justitie in het hart van de politiek, en daarmee ook de rechtsstaat die verankerd ligt in de Grondwet.
Pim Fortuyn was de eerste politicus die een discussie over de Grondwet aanzwengelde. Hij wierp in 2002 de vraag op welk grondrecht moest prevaleren: het discriminatieverbod in artikel 1 of de vrijheid van meningsuiting in artikel 7?
Later maakten vooral de moord op filmmaker en columnist Theo van Gogh, in 2004, en de Deense cartoonkwestie, begin 2006, felle discussies los over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting.
PVV’er Wilders hield een pleidooi om het discriminatieverbod te vervangen door een artikel waarin staat dat onze samenleving is gebaseerd op joods-christelijke en humanitaire tradities. Niet veel later betoogde VVD-Kamerlid Nicolaï dat de vrijheid van meningsuiting „het allerbelangrijkste grondrecht” is.
Vorige week werd er na vijftien jaar weer eens een staatscommissie geïnstalleerd. De voornaamste opdracht is om uit te zoeken hoe de Grondwet meer betekenis voor burgers kan krijgen. Het kabinet wil af van het „fletse” en „archaïsche” karakter van de constitutie. De staatscommissie zal onderzoeken of er een preambule, een toegankelijke inleiding, aan de Grondwet kan worden toegevoegd.
Het huidige debat over de grondrechten heeft volgens sommige historici wel wat weg van discussies in de negentiende eeuw. Ook toen ging het politieke debat, met kwesties als de schoolstrijd en het kiesrecht, meer over dan langs de Grondwet. In de twintigste eeuw ging het vooral om sociaaleconomische thema’s, die wat minder direct betrekking hebben op de grondrechten.
Salman Rushdie en de onderhandse deal van Lubbers III
„Het was een heel grote schok voor mij”, vertelt VVD’er Nicolaï: het islamitische doodvonnis, in 1989, tegen de Brits-Indische schrijver Salman Rushdie vanwege diens boek ”De duivelsverzen”. „Het incident motiveerde mij om in actie te komen.”
Nicolaï, op dat moment secretaris van de Raad voor de Kunst, richtte samen met mannen als Adriaan van Dis en Ed van Thijn de Nederlandse tak van het Rushdie Defence Committee op. „We kwamen bijeen in een geheimzinnige, nogal spannend jongensboekachtige sfeer. Maar we hadden wel serieuze zorgen: we vreesden een inperking van de vrijheid van meningsuiting.”
Op een gegeven moment wilde het comité overheidssubsidie hebben. Dat werd een groot probleem. Nicolaï: „De toenmalige regering van CDA en PvdA, onder leiding van premier Lubbers, wilde absoluut niet z’n handen aan Rushdie branden. Te gevaarlijk, dacht ze. Maar we hadden wel wat geld nodig; voor een bureautje, voor bijeenkomsten.”
Nicolaï verzon een list. „Toen heb ik gedreigd dat de Raad voor de Kunst een ongevraagd positief advies zou geven. Dan zou de regering in een rare positie terechtkomen; zij zou dat advies beargumenteerd moeten afwijzen. Uiteindelijk heeft het kabinet onderhands, stiekem, geld gegeven. Onder het mom van „bijzondere projecten” is er geld gestort op de rekening van de Raad voor de Kunst; de naam Rusdie mocht er absoluut niet aan worden verbonden. Ik mocht het geld vervolgens doorsluizen naar het Rushdiecomité. Een accountant heeft later de hand over z’n hart gestreken.”
Nicolaï kan er nu wel om lachen. „Maar het geeft wel aan hoe gevoelig het lag. En ik dacht: dit is echt de bijl aan de wortel van de vrijheid.” Sindsdien zet de VVD’er zich in voor de vrijheid van meningsuiting.