In 1977 vraagt de Emancipatieraad om een wet die de verhouding tussen gelijkheid en vrijheid moet regelen. In 1978 aanvaardt de Kamer een motie van PvdA’er Haas-Berger om met zo’n wet te komen. In 1981 verschijnt een voorontwerp. Daarin is er geen enkele ruimte voor christelijke scholen om praktiserende homseksuele docenten te weren.
Aan het eind van de jaren tachtig spreken CDA en PvdA in het regeerakkoord af dat zij een Algemene wet gelijke behandeling zullen indienen met daarin enkele uitzonderingsbepalingen voor levensbeschouwelijke instellingen, waaronder het onderwijs. Het compromis is de zogeheten enkelefeitconstructie.
Die houdt in dat scholen vanwege het enkele feit dat iemand een homoseksuele leefwijze heeft of samenwoont niet door de school geweerd mag worden. Als er bijkomende omstandigheden zijn die afbreuk doen aan wat de school uitdraagt, dan is er wel vrijheid om de betrokken sollicitant te weigeren of de betrokken leerkracht te ontslaan.
Precieze helderheid over die bepaling komt er nooit omdat de regering categorisch weigert dit nader in te vullen en de daadwerkelijke afweging van belangen in handen legt van de Commissie Gelijke Behandeling. Deze heeft tot nu toe nooit een concrete kwestie op de agenda gehad. Mogelijk dat de zaak Emst er een is.
Evaluatie
De regering evalueert in 2008 de Algemene wet gelijke behandeling en spreekt twee dingen uit. Allereerst dat er aan het bestaande evenwicht tussen de grondrechten niet gemorreld wordt. Dat is een overwinning voor CDA en ChristenUnie, die de bestaande uitzonderingsbepaling willen handhaven.
Omdat de PvdA er eigenlijk van afwil, wordt aan de Raad van State gevraagd of er mogelijk een andere formulering kan komen. Maar, zo is weer de wens van CDA en ChristenUnie, de bescherming die de huidige uitzonderingsbepaling biedt, moet gehandhaafd blijven.
Zoals het er nu naar uitziet, voldoet de Raad van State ruimschoots aan deze wens van het kabinet. Het hoogste adviesorgaan van de regering stelt dat de onderwijsinstelling eisen mag stellen aan het gedrag van leerkrachten als deze voldoende herleid kunnen worden tot de godsdienst/levensbeschouwing die de grondslag van de instelling vormt.
Dit advies van de Raad van State ligt in lijn met de adviezen die de raad in het verleden uitbracht over de Algemene wet gelijke behandeling. Tot tweemaal toe heeft het adviesorgaan uitgesproken dat een dergelijke wet niet nodig is omdat bestaande wetgeving voldoende mogelijkheden biedt om discriminatie tegen te gaan. Bovendien vreest de raad aantasting van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.
De regering legt begin jaren negentig deze adviezen naast zich neer en dient de wet toch in. Dat mag. Duidelijk is wel dat de raad grote waarde hecht aan de klassieke grondwettelijke vrijheden.
Haaks
Het jongste advies van de Raad van State staat haaks op het advies dat de Commissie Gelijke Behandeling dit voorjaar uitbrengt over de positie van praktiserende homoseksuele leerkrachten op orthodoxe scholen. De commissie vindt dat scholen hun (toekomstige) leerkrachten geen verklaring mogen laten ondertekenen waarin staat dat ze homoseksualiteit en samenwonen op basis van de grondslag afwijzen. Daarmee kiest de commissie een andere koers dan in het verleden. Wat belangrijker is: daarmee snijdt ze feitelijk de mogelijkheid voor christelijke scholen om hun grondslag in de praktijk van het schoolleven te verwezenlijken af.
Het advies van de Raad van State brengt de discussie die het kabinet nu moet gaan voeren over dit thema weer in evenwicht. Het biedt CDA en ChristenUnie argumenten om de discussie in een voor hen gunstige zin om te buigen. De PvdA zal aan de haal gaan met het advies van de commissie, maar CDA en ChristenUnie hebben in het kabinet de meerderheid. Dat geeft hoop.