Ook de discussie die de afgelopen weken binnen de SGP is gevoerd, is niet bepaald een voorbeeld van een open en volwassen debat. De waaier aan standpunten maakt duidelijk dat er allerminst eenduidig wordt gedacht over de invulling van het begrip theocratie. Partijleden die zelf deel uitmaken van vertegenwoordigende of bestuurlijke organen tonen zich (enigszins) opgelucht over de vervanging ervan door de term Bijbels genormeerde politiek. Daar kunnen zij beter mee uit de voeten en de begripsvervanging verlost hen van het antidemocratisch imago dat de partij heeft. Een andere groep trouwe partijleden vreest echter dat met de term tegelijkertijd het bijbehorende beginsel overboord wordt gezet. Zij trekken hard aan de alarmbel. Voor het standpunt van ds. Visscher is bij deze partijleden helemaal geen begrip.
Een dergelijke discussie dreigt al snel te ontaarden in partijschappen, waarbij niet meer naar elkaar wordt geluisterd en alleen maar over en weer verwijten worden gemaakt. Daarvan zijn inmiddels voorbeelden. Wanneer ds. Visscher wordt neergezet als een handlanger van prof. Kuitert (die in dezelfde week stelde dat de staat niks met religie te maken moet willen hebben), is dat buiten de orde. Evenmin past het om verontruste partijleden „hardliners zonder realiteitszin” te noemen. Juist bij zulke belangrijke onderwerpen is het nodig goed naar elkaar te luisteren, open met elkaar in gesprek te gaan. Op dat punt valt er binnen de SGP nog wel iets te leren.
Belijdenis
Goed naar elkaar luisteren, veronderstelt ook goed uitleggen wat je bedoelt. Dat geldt niet alleen binnen de eigen partij, maar ook naar andersdenkenden. De term theocratie roept in het huidige tijdsgewricht onnodig misverstanden of zelfs weerstanden op. Het gebeurt vaker dat een woord dat jarenlang zonder problemen werd gehanteerd, door gewijzigde externe ontwikkelingen losgelaten moet worden. Geen enkele SGP’er vindt het tegenwoordig prettig om ”fundamentalist” te worden genoemd. Oorspronkelijk werd die aanduiding gebruikt voor orthodoxe protestanten in de VS die de fundamentals (fundamenten) van de reformatorische belijdenis verdedigden. Maar vandaag de dag associeert men het begrip met moslimextremisme. Alle reden voor gereformeerden om zich te verzetten wanneer ze het etiket ”fundamentalisten” krijgen opgeplakt.
Iets dergelijks geldt nu voor de term theocratie. Dat begrip is inmiddels zodanig verweven met de dictaturen in het Midden-Oosten waar de islam alleenheerschappij heeft, dat een staatkundig gereformeerde daar niet mee vereenzelvigd wil worden.
Er zijn echter ook andere goede redenen om terughoudend te zijn met de term theocratie. Dat geldt natuurlijk niet voor de eerste betekenis van het woord: het gegeven dat God over alle dingen regeert. Hij heeft het wereldbestuur in handen en dat geldt voor alle tijden. Aan die belijdenis mag niet getornd worden en daarvoor moet dit begrip gereserveerd blijven.
Het gebruik van de term theocratie voor een politiek streven is echter onjuist. Het suggereert namelijk dat de mens c.q. de menselijke regering deze godsregering dankzij politieke programma’s kan realiseren. Die gedachte is zondige grootheidswaanzin. God de Heere Zelf regeert, onafhankelijk van welke menselijke inspanning ook. Zelfs toen Nero, Napoleon en Hitler aan de macht waren, ging er niets buiten Zijn bestuur om.
We hoeven daarom ook niet bijzonder te hechten aan het begrip theocratie, althans: niet aan de term zelf als daarmee het politiek streven van mensen wordt bedoeld. Blijft natuurlijk wel dat het betreurenswaardig is dat begrippen ons ’ontfutseld’ worden doordat ze een heel andere lading krijgen. Maar als onze omgeving deze termen niet meer verstaat, mogen we er gerust andere begrippen voor gaan gebruiken. Als er dan bovendien goede alternatieven voor zijn, zoals bibliocratie of Bijbels genormeerde politiek, dan is het niet verstandig om het loslaten van de term tot inzet van partijtwisten te maken.
Wezenlijk is dat de SGP de inhoud van het theocratisch beginsel, namelijk Bijbels genormeerde politiek, wil handhaven. Het beginselprogramma van de SGP is niet gewijzigd en er zijn ook geen formele voorstellen gedaan om dat op dit punt te doen. De theocratie in de zin van godsregering blijft daarom de norm, het uitgangspunt, voor het politiek handelen dat deze partij voorstaat.
Onkruid
Hoe verhoudt zich deze lijn tot het voorstel van ds. Visscher? Allereerst is van belang goed te luisteren naar wat de Amersfoortse predikant zegt. Als hij spreekt over „tactische aanvaarding van de neutrale staat” is dat niet hetzelfde als wat bijvoorbeeld Kuitert voorstaat. Die voert een pleidooi voor acceptatie van de moderne seculiere staat omdat die de burger bevrijdt van de heerschappij van welke religie dan ook. Kuitert vindt dat de staat per definitie neutraal behoort te zijn. Het grote verschil met ds. Visscher is dat Kuitert de neutrale staat beschouwt als een principe: het hoort zo te zijn, terwijl ds. Visscher het beschouwt als nood: we ontkomen er niet aan. Laatstgenoemde ziet de acceptatie van de neutrale staat als een uiterste redmiddel om binnen de huidige geseculariseerde samenleving nog zo veel mogelijk ruimte voor de christelijke levensbeschouwing te behouden.
Is het pad dat ds. Visscher voorstelt begaanbaar? Is het verstandig de staat als neutraal te aanvaarden? Over deze kwestie is in de achterliggende decennia in kringen van de christelijke politiek veel gediscussieerd, zowel binnen als buiten de SGP. Zorgvuldig gebruik van de Schriftgegevens is daarbij van groot belang.
Om de neutraliteit van de staat te verdedigen, wordt vaak teruggegrepen op de gelijkenis van de akker waarop de tarwe en het onkruid tegelijk groeien. Ook in de opiniereacties in deze krant is daarnaar verwezen. De Heere Jezus zegt in die gelijkenis, in Mattheüs 13, dat het niet de taak van dienaren is om het onkruid uit te roeien, omdat daarmee mogelijk tegelijkertijd de tarwe verwijderd wordt. In het verleden hebben voormannen van zowel de RPF als het GPV zich op deze gelijkenis beroepen om burgerlijke vrijheid te garanderen voor christenen en niet-christenen. Zo schrijft Meindert Leerling in ”Christelijke politiek vandaag” (1983): „Op die wijze is er voor de overheid ook geen taak om niet-christelijke godsdiensten of antichristelijke ideologieën openlijk te bestrijden. Er moet sprake zijn van een christelijke tolerantie waarbij hij die eigenzinnig wil zijn en God niet wil dienen, gelijktijdig moet opgroeien met gelovigen tot de tijd van de oogst daar is.”
Het is echter de vraag of daarmee recht wordt gedaan aan de bedoeling waarmee Christus deze gelijkenis uitsprak. Calvijn, de architect van de theocratische verhouding tussen kerk en staat, stelt in zijn verklaring „dat Christus hier noch over de plicht der herders, noch over die der overheid spreekt, maar de ergernis wegneemt waardoor de zwakken geschokt worden wanneer zij zien dat de Kerk niet slechts uit de uitverkorenen maar ook uit de onreine menigte samengesteld is.”
Op andere plaatsen laat Calvijn er bepaald geen misverstand over bestaan dat het wel degelijk een taak van de overheid is om de naleving van Gods geboden metterdaad aan de bevolking op te leggen. Dat geldt niet alleen de tweede maar ook de eerste tafel van de wet, dus niet alleen het verbieden van doodslag en diefstal, maar ook het naleven van het vloekverbod en de kerkgang (zie Institutie IV, 20, 9). Calvijn lijkt er zelfs op te wijzen dat de eerste tafel de overheid (de ”stadhouders van God”) nader aan het hart moet liggen dan de tweede: de regenten moeten in de eerste plaats zorgen voor de vroomheid en niet slechts voor de mensen. De Staten van Holland die in het plakkaat uit 1614 iets soortgelijks stelden, bevonden zich dus in het kielzog van Calvijn.
Mogelijk wijst iemand erop dat het ’theocratisch experiment Genève’ van Calvijn niet echt geslaagd is. Dat heeft de opstellers van de Heidelberger Catechismus echter niet ontmoedigd om toch diens visie op de overheid uit te werken. Als Ursinus in ”Het Schatboek” schrijft over het ambt van de overheid, bij de uitleg van het vierde en het vijfde gebod en van de tweede bede, is daar geen woord Frans bij. Met andere woorden: wie bij de Drie Formulieren wil schaven aan de zwaardmacht van de overheid door artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) om te buigen, krijgt ook moeite met de antwoorden op de catechismusvragen 103, 104 en 123. Die geboden en die bede zijn niet slechts bedoeld als vrome wensen, maar bevatten ook een opdracht voor de overheid: het faciliteren van kerkdiensten en christelijk onderwijs, het regeren van alle burgers naar Gods geboden, het verstoren van de werken van de duivel en alle geweld dat zich tegen God en Zijn woord verheft. Dat is heel wat anders dan vrijheid van godsdienst.
De vraag is natuurlijk gewettigd of deze Formulieren ook nu nog zo geïnterpreteerd moeten worden. Vandaag de dag, in een seculier land, met een regering die zich goeddeels heeft losgerukt van Gods geboden? Daarbij is het goed te bedenken dat Calvijn weliswaar zijn Institutie schreef in loyale steden (Basel, Straatsburg, Genève) maar dat zijn leerling Guido de Brès zijn Confessio Belgica opstelde in een ronduit vijandige omgeving (Doornik). Hij heeft die bedoeld als oproep aan de Duitse keizer en de Spaanse koning, beiden zelf Rooms, om de Roomse Kerk te zuiveren. Zijn formulering over de zwaardmacht, de bekende 21 woorden, was dus niet ingegeven door een groot vertrouwen in het juist hanteren daarvan. Toch houdt hij dat overeind, zelfs als hij zich richt tot een antichristelijke overheid. Wie dus ernst neemt met de belijdenisgeschriften, kan onmogelijk de staat als neutraal beschouwen.
Kuyper
Ds. Visscher wijst er in zijn bijdrage ter gelegenheid van de 90-jarige SGP echter op dat er twee grote, nieuwe gevaren zijn. Het ene is dat van de secularisatie, het andere van de islam. Het is duidelijk winst dat ds. Visscher deze twee naast elkaar heeft gezet. Hij concludeert dat het gevaar van de islam in het niet valt bij dat van de seculiere staat. Terecht. Wie daaraan twijfelt moet zich eens afvragen: welke moslim is er in Nederland begonnen over het opheffen van het verbod op godslastering? Of over het legaliseren van het homohuwelijk? Of over de winkelopenstelling op zondag? Welke moslim heeft zich verzet tegen de vrijheid van onderwijs? Kortom: laten christenen nu eens leren dat het grote gevaar van deze tijd niet schuilt in een aantal Goudse Marokkaantjes maar in de seculiere buurman die iedere morgen zo vriendelijk groet.
Blijft de vraag of deze nieuwe gevaren nu een reden zijn om de neutrale staat toch maar tegen wil en dank te aanvaarden. Zoals ds. Visscher zegt: „Niet als confessie, maar als concessie”, vanwege de actuele omstandigheden, en als middel om in de publieke ruimte vrijheid voor christenen te claimen. Zelf geeft hij al aan dat de marges voor het bedrijven van christelijke politiek hoe dan ook heel smal worden. Dat bleek bijvoorbeeld in de kwestie van de gewetensbezwaarde trouwambtenaren. Terwijl er twee christelijke partijen-die de neutrale staat aanvaarden- in dit kabinet vertegenwoordigd zijn, hebben afspraken hierover in het regeerakkoord uiteindelijk alleen een negatieve uitwerking gehad.
Dat is niet verwonderlijk. Immers, neutraliteit is ook een ideologie met religieuze trekjes, die zich zal verzetten tegen claims van politici die de Bijbel als norm willen hanteren. Neutraliteit betekent, kort gezegd: ieder z’n portie, zolang je de ander maar niet lastig valt. En daar scheiden dan de wegen voor de belijdende theocraat: die zegt dat het íéder mens betaamt om Gods geboden te houden (Pred. 12:13). En ook al kan hij dat in de praktijk, binnen het huidige democratisch bestel, niet afdwingen - toch betekent dat nog niet dat hij dan maar afstand moet doen van de eis van Gods geboden en node de neutrale staat als minst slechte alternatief moet accepteren.
Terecht stelt ds. Visscher dat ook Groen van Prinsterer deze stap maakte. De echte discussie over dit thema ontstond echter na Groen, vooral rond 1896, toen Kuyper (en met hem mannen als Donner, Lindeboom en Rutgers) bezwaar maakten tegen de 21 woorden in artikel 36 van de NGB. Kuyper wilde de handen ineen slaan met Rome, in de strijd tegen het antichristendom, en beoogde daarom een neutrale staat. Het was Hoedemaker die zich hiertegen verzette en een lans brak voor de ”belijdende” staat. De controverse uit de zeventiende eeuw tussen contraremonstranten en remonstranten, speelde dus later in soortgelijke vorm tussen Hoedemaker en Kuyper, tussen Kersten en Hugo Visscher.
Vicaris
Dat de overheid Gods dienares is, is echter geen menselijk verzinsel maar een Bijbels gegeven. Zo’n dienares (Paulus), stadhouder (Calvijn) of vicaris (plaatsvervanger, Ursinus) mag niet neutraal zijn en Bijbelgetrouwe christenen mogen de overheid ook niet als zodanig beschouwen. Een neutrale overheid zal zich nooit kunnen verzetten tegen wat voortkomt uit het boze menselijke hart, de mens der zonde. Daarvoor is een overheid nodig die z’n wetten spiegelt aan Gods Woord.
Christenpolitici past echter bescheidenheid als ze dit theocratisch beginsel willen verdedigen. Wie artikel 36 voluit serieus neemt, ontkomt er niet aan om af te bakenen wat ware en valse godsdienst is. Juist de kerkelijke verdeeldheid verlamt de hand die het in dit artikel genoemde zwaard zou willen hanteren. Die hand behoort eerst in eigen boezem gestoken te worden.
Dat leidt niet alleen tot tolerantie ten opzichte van de opvattingen in de eigen kring. In de gebroken wereld waarin de politicus actief is, blijft altijd een spanning tussen ideaal en werkelijkheid. Dat geldt ook waar de fronten heel duidelijk zijn, bij niet-gereformeerde religies als de islam. Wie met beide voeten in de politieke modder staat, ervaart die worsteling dagelijks. Dat mag echter niet moedeloos te maken, want uiteindelijk geldt: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden.
Toch is het beter om met die spanning te blijven leven dan te capituleren voor de neutrale staat. Niet alleen omdat dat toch niks oplevert, maar ook omdat een volgende generatie de motieven voor die noodsprong niet meer zal begrijpen of delen en van de nood een deugd maakt.
De hoofdredactie van het Reformatorisch Dagblad sluit met deze bijdrage de discussie over dit onderwerp af.