Monnikenwerk in Afghanistan
Maar de veertig PRT’ers moeten veel geduld hebben in Uruzgan. Ze staan aan de poort van hun kamp, turen over het gevaarlijke Afghaanse land en kunnen simpelweg niet zelfstandig op pad. En als een van hen gaat, worden ze bewaakt met veel militair vertoon. Toch draait deze missie van de NAVO om hen. Zij moeten body geven aan de opbouwmissie die zo vaak is besproken.
Het is schaken in het stof van Afghanistan. Wat is de inzet? Een ”veegactie” om de taliban uit te roeien, of gaat er een extra PRT’er de poort uit? De commando’s weten het wel: ze willen vaker dan nu het geval is de strijders uitschakelen, en zo snel mogelijk. Met nog levende, levensgevaarlijke talibanies komt er van opbouw niks terecht, is hun idee.
Complex
Maar de opbouwers die ook op datzelfde kamp zitten, denken daar anders over. Natuurlijk, de commando’s vechten in Uruzgan tegen de taliban als het nodig is, en dat doen ze effectief, zegt defensie. Maar dat mag niet de hoofdzaak zijn en het mag eigenlijk niet vaker gebeuren dan nu het geval is. Het werk van het kleine team PRT’ers is het meest effectieve wapen dat de vijandelijke strijders zal verslaan. Dat zegt ook diplomaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken Marten. Hij is ontwikkelingsadviseur (OSAD), zoals ze dat noemen. Op Kamp Holland.
Volgens hem was het beter geweest wanneer de NAVO twee jaar geleden Afghanistan had overgenomen van de Amerikanen. Dan was „de geweldsspiraal minder ontwikkeld”, zegt de diplomaat. „Er is te vaak gezegd: we moeten de taliban bestrijden.” Volgens Marten heeft dat geen zin; „het zijn psychopaten waar geen land mee te bezeilen valt.” „Wat is er nu gebeurt nadat ze hier een paar gebieden hebben uitgekamd (operatie Medusa en de missie in de Baluchivallei, BD)? Niet veel.”
Nederland heeft ten minste twee keer meegedaan bij de grote veegacties in Kandahar en Uruzgan. Daarbij zijn honderden taliban gedood. Volgens de diplomaat is het wat Nederland betreft nu wel even afgelopen met een Nederlandse bijdrage aan dit geweld. „Dit soort acties werkt alleen maar voor de korte termijn. Je wint een veldslag, maar je verliest de oorlog.”
In de toekomst moet het aantal ”vechtmilitairen” dan ook sterk verminderen, en het aantal PRT’ers groeien, zegt Marten. Opbouw, structuur en veiligheid -allemaal idealen van de PRT- zijn pas echt de doodsteek voor deze steeds uitdijende groep strijders. „En ik geloof niet eens dat de taliban het grootste probleem vormen”, zegt Marten. „We strijden tegen een veel complexere situatie en moeten daar genuanceerd naar kijken. Bijvoorbeeld tegen de corrupte overheid, waar mensen in het zuiden geen vertrouwen in hebben, tegen drugslords die de bevolking in hun greep hebben, tegen warlords die hun macht hebben misbruikt waardoor bevolkingsgroepen geen basis van bestaan meer hebben, tegen de armoede waardoor mensen in wanhoop geld aanvaarden van drugslords of van de taliban of het criminele circuit in gaan; en ja... ook tegen een kleine harde kern die met steun van al-Qaida en andere buitenlandse mogendheden een greep naar de macht wil doen.”
ISAF uitlokken
De vijand beslaat een hele waslijst. Maar de OSAD is erg hoopvol. Als er maar een sprankje hoop wordt geboden, zal de Afghaan kiezen voor de NAVO en niet voor al deze totaal diffuse en soms ook onduidelijke groep strijders. Een nieuwe school, een tweedehands brandweerauto of een shoura waar knopen worden doorgehakt - het is allemaal veel bedreigender dan een Apache of een groep commando’s die de strijders op de hielen zit. Elk vuurgevecht en elke dode taliban is alleen maar in hun voordeel, concludeert Marten.
De adviseur ziet dat de strijders daarom „ISAF uitlokken.” „Daar zijn ze heel slim in.” Hun strategie is om de Nederlanders te bestoken met bermbommen, zelfmoordcommando’s en raketten, in de hoop dat ze hard terugslaan. Dan kunnen de talibanies tegen de Afghanen zeggen: „Kijk hoe erg ze zijn, die westerlingen.” En de volgende dag, wanneer de kruitdampen zijn opgetrokken, komen de PRT’ers aan in een leeg dorp, waar iedereen gevlucht is. Uit angst voor represailles van de taliban durft geen Afghaan meer te heulen met ’de vijand’. Dit is het krachtenveld waarin men probeert de harten van de Afghanen te winnen.
Volgens Marten kan Nederland toch op enkele terreinen wel vooruitgang boeken. Zoals in de gezondheidszorg. „Dit is een sector die de strijders ongemoeid laten, anders zou de goodwill onder de bevolking wel erg snel weg zijn.”
Onderwijs is ook iets waar Nederland aan werkt, maar dat is veel brozer omdat de taliban dat niet duldt en de scholen net zo goed weer in brand steekt. Voor de politieopleiding geldt hetzelfde; de nieuwbakken hulppolitieagenten moeten ook oppassen voor hun leven wanneer ze op de vaak slecht bewapende uitkijkposten staan.
Dus moet Nederland pakken wat het pakken kan. Bijvoorbeeld het ziekenhuis in Tarin Kowt. Daar laten ze Afghanen een muur om de vrouwenvleugel bouwen zodat de vrouwen ongestoord een bezoek kunnen brengen aan het hospitaal. Ook laten ze een vrouwelijke arts aan het werk. De opkomst bij deze arts was overweldigend, vertellen de PRT’ers enthousiast.
Ongeduldige houding
De opbouwers van Uruzgan zetten ministapjes, maar ze zijn er -gezien de omstandigheden- trots op. Verpleegkundige en leider van de gezondheidspoot binnen het opbouwteam, kapitein Arno, stoort zich dan ook aan de ongeduldige houding van Nederland, dat snel resultaten wil boeken. Hij houdt een paar lesboeken voor verplegers omhoog. Arno is zelf functioneel specialist in gezondheidszorg en is persoonlijk door commandant van de Task Force Uruzgan Theo Vleugels aan het PRT toegevoegd. Hij heef al jaren in de regio gewoond en kent de mores. „Weet je hoe lang ik erover heb gedaan om deze boeken binnen te krijgen?”
De kapitein begint het uit te leggen, vanaf de eerste stap. „Dan wordt misschien eens duidelijk in Nederland dat dit niet een land is waar alles vanzelf gaat.” De boeken zijn na veel overleg aangereikt door de verplegers in Tarin Kowt. Arno is een paar keer -alleen op de momenten wanneer er een patrouille mee kon- gaan praten met de deskundigen in de ziekenhuizen. „Eerst was er ook geen gsm-netwerk in dit gebied, toen was het echt heel moeilijk om afspraken te maken.”
Er is geen enkel kopieerapparaat in de provincie Uruzgan, dus moesten twee mensen van hier in een auto naar Kandahar. En dat is een levensgevaarlijke tocht van ten minste vijf uur. In Kandahar is de kopieermachine aangezet en zijn er stapels boeken gemaakt. Eén voor één, zegt Arno. „Ja, de kwaliteit is niet altijd even goed. Maar toen ik ze hier kreeg, na ongeveer zes weken dus, kon ik het bijna niet geloven. Een fantastisch moment was dat. De doos staat nu op mijn slaapkamer en de boeken zullen binnenkort uitgedeeld worden.”
Maar de meest belangrijke fase was het voorwerk, vindt Arno. Toen de verpleegkundige in de lente naar Afghanistan kwam, moest hij eerst zijn netwerk aanleggen. En dat heeft zeker een aantal maanden gekost. „Hier denken ze: nou ja, alweer mensen die ons willen helpen. En dan moet je dus vertrouwen creëren. Maar wat wil Nederland? Dat ik snel een put sla, een foto maak en opstuur? Met dat soort snelle projectjes win je de oorlog niet hoor, je moet dit structureel oppakken.”