Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Koeien niet voor niets op stal

 1 van 2  

„Kijk, dit is onze crisiskamer”, zegt dr. Ronald Smetsers bij het betreden van het Laboratorium voor Stralingsonderzoek. Op tafels staan rijen computers, aan de wand hangen kaarten. „Sinds ’Tsjernobyl’ is er veel veranderd. We hadden in 1986 geen meetnet voor radioactiviteit. Nu telt Nederland 160 meetpunten. Stijgt de radioactiviteit in de lucht boven de drempelwaarde van 3 becquerel per kubieke meter, dan gaan onze semafoons af.”
Smetsers is hoofd van het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). „Eigenlijk heb ik mijn baan te danken aan de ramp met de kernreactor in Tsjernobyl. Ik ben in 1988 bij het RIVM komen werken om een goed meetnet op te zetten. Destijds waren we in Nederland absoluut niet voorbereid op zo’n calamiteit. In onze scenario’s gingen we uit van een ring van 20 kilometer rond een kerncentrale. In dat gebied zouden zich de grootste problemen voordoen. Niemand hield het toen voor mogelijk dat duizenden kilometers verderop radioactieve neerslag zou leiden tot het binnenhouden van koeien en het vernietigen van partijen sla en spinazie.”

Op Smetsers’ bureau ligt een grote atlas opengeslagen. Op de kaarten staat in kleur weergegeven hoeveel radioactieve deeltjes cesium-137 in 1986 neerdwarrelden in Europa. De concentraties -uitgedrukt in kilobecquerel per vierkante meter- verschillen per regio soms enorm, afhankelijk van de afstand tot het rampgebied, de heersende windrichting en waar de regen viel. Uiteraard is het gebied rond de kerncentrale het zwaarst getroffen. Donkerrode kleuren markeren het grensgebied tussen Oekraïne en Wit-Rusland, waar de gecrashte reactor dagenlang radioactieve deeltjes uitbraakte.

Maar soms is duizenden kilometers verderop in een bepaald gebied ook sprake van vrij zware radioactieve neerslag. Dat is bijvoorbeeld het geval langs de noordelijke Alpenrand, Wales, delen van Schotland en het gebied rond Stockholm. Daar viel toen veel regen. De waterdruppels bezemden de radioactieve deeltjes uit de lucht en lieten ze neerslaan op de bodem.

De besmetting van Nederland bedroeg slechts een fractie van die in Oekraïne en Wit-Rusland. Grote gebieden kregen daar 150 tot 180 keer meer radioactieve neerslag te verwerken. De zwaarst getroffen streken zelfs 1000 tot 1500 keer.

De meeste radioactiviteit bereikte Nederland overigens niet in 1986, maar zo’n 25 jaar eerder (zie: http://www.mnp.nl/mnc/i-nl-0313.html ). Dat was tijdens het hoogtepunt van de Koude Oorlog, toen de VS uitgebreid bovengrondse kernproeven uitvoerden op de Marshall- en de Bikini-eilanden in de Grote Oceaan. De Russen deden hetzelfde op Nova Zembla en ook de Chinezen lieten zich niet onbetuigd. Bij de bovengrondse kernproeven kwamen grote hoeveelheden radioactieve stoffen, waaronder het langlevende plutonium, hoog in de atmosfeer terecht. Ze verspreidden zich over de hele aarde.

Vluchtig deeltje
Cesium-137 (Cs-137) en jodium-131 (I-131) zijn volgens Smetsers de belangrijkste en ook de meest vervelende radioactieve deeltjes die bij een kernramp vrijkomen. Ze verspreiden zich allebei gemakkelijk. Zo is bij de ramp in Tsjernobyl tussen de 30 en 40 procent van het aanwezige Cs-137 vrijgekomen. Jodium en cesium zijn samen verantwoordelijk voor 75 procent van de stralingsdosis als gevolg van Tsjernobyl.

Bij het verval van cesium-137 komt vrij sterke gammastraling vrij. Het heeft bovendien een relatief lange halfwaardetijd van dertig jaar. In plant, dier en mens heeft cesium dezelfde eigenschappen als kalium. „Boeren in gebieden die zwaarder waren besmet dan Nederland gebruikten de eerste jaren soms extra kalium om de bodem te bemesten. Zo wilden ze de opname van cesium door de gewassen en vervolgens door mensen beperken.”

In Nederland is geen extra kalium gebruikt, gezien de veel lagere neerslaghoeveelheden. Wel zijn er maatregelen genomen tegen jodium-131 dat -evenals andere radioactieve deeltjes- tijdens de eerste dagen vooral via bladeren in planten werd opgenomen. „Mede daarom werden de koeien binnengehouden zodat ze geen besmet gras konden eten en moesten partijen spinazie en sla die eind april 1986 net volgroeid waren, worden vernietigd. Jodium-131 heeft een halfwaardetijd van acht dagen en is dus gelukkig vrij snel verdwenen.”

Bij de kernramp in Oekraïne kwam ongeveer 3 procent plutonium vrij. Het meeste plutonium is in een beperkte straal rond Tsjernobyl neergeslagen omdat het aan zwaardere deeltjes vastzat.

Wat niet wil zeggen dat plutoniumdeeltjes Nederland niet hebben bereikt. „Dat is echter vooral gebeurd in de jaren vijftig en zestig door de bovengrondse kernproeven van de Russen op Nova Zembla. De landen ten zuiden van de evenaar kregen hun plutoniumdeeltjes van de Amerikanen.”

Overigens is de stralingsbelasting in Nederland door plutoniumdeeltjes in het milieu slechts 2 microsievert per jaar, zo blijkt uit tabellen van de Nucleair Research & Consultancy Group (NRG) in Petten. Alleen al de stralingsbelasting van radon, dat vrijkomt uit de bodem en uit bouwmaterialen en net als plutonium alfastraling afgeeft, ligt zo’n 500 keer hoger.

Veel onderzoek
Na de atoombommen op Hirosjima en Nagasaki in 1945, de bovengrondse kernproeven in de jaren 1945-1965 en vooral na de ramp in Tsjernobyl, kwam er veel onderzoek op gang naar de gevolgen van ioniserende straling voor mens en milieu (voor uitleg zie artikel Becquerel, gray en sievert). Smetsers: „Als je alle studies op zou stapelen, zouden deze mijn hele kamer tot het plafond vullen.”

Sommige onderzoeken dateren van oudere datum. Bekend zijn de zogeheten ”wijzerplaatschilderessen”. Zij beschilderden in de jaren twintig en dertig in fabrieken uurwerken van klokken en horloges. Met hun lippen zorgden de veelal jonge vrouwen voor een mooi puntje aan hun penseel. Op die manier slikten ze radiumdeeltjes in, niet wetend dat die radioactief waren. Na verloop van tijd kregen nogal wat meisjes botkanker.

Bekend zijn ook de onderzoeken naar werkers in uraniummijnen. Ze werden gedurende hun arbeidzame leven blootgesteld aan zeer hoge radonconcentraties en hadden daardoor een verhoogd risico op longkanker.

Dat hoge doses ioniserende straling schadelijk zijn en het risico op kanker verhogen, staat bij stralingsdeskundigen als een paal boven water. Minder duidelijk is wat lage doses op de lange termijn met het menselijk lichaam doen. En daar heeft de bevolking van Europa mee te maken.

De ’erfenis’ van bovengrondse kernproeven en Tsjernobyl speelt daarbij overigens nog nauwelijks een rol. In Nederland bedraagt deze anno 2006 slechts 0,7 procent van de totale stralingsbelasting van ongeveer 2,5 millisievert waaraan mensen per jaar blootstaan. Achtergrondstraling uit de bodem en uit bouwmaterialen (radongas) en het natuurlijke kalium-40 in voedingsmiddelen vormen de hoofdmoot (zie cirkeldiagram hiernaast).

De gangbare visie onder stralingswetenschappers is dat elke vorm van ioniserende straling -hoe gering ook- het risico op kanker verhoogt. Bekend is de vergelijking met lootjes. Hoe meer straling, hoe meer lootjes en hoe groter de kans op een dubieuze prijs in de vorm van kanker.

Smetsers: „We gaan uit van een rechtlijnige stijging van het risico vanaf nul. Een tien keer zo hoge dosis geeft een tien keer zo grote kans op kanker en omgekeerd." Er is waarschijnlijk geen drempel waaronder straling niet schadelijk is. Ook lage doses kunnen op termijn kanker veroorzaken, zo luidt het uitgangspunt. Dit standpunt is ook verwerkt in de adviezen van onder meer de International Commission on Radiological Protection (ICRP), het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

De stralingsdeskundige van het RIVM wijst er echter op dat de werkelijkheid ingewikkelder is. „Het zou heel goed kunnen dat de echte dosis-effectrelatie afwijkt van dit simpele lineaire model. Misschien heeft een lage dosis straling wel minder schadelijke effecten dan we veronderstellen. Maar het is heel erg moeilijk om dat wetenschappelijk vast te stellen. Met het huidige model blijven we in ieder geval aan de veilige kant.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels