Die vragen kreeg CDA-kamerlid Hillen woensdagavond op zich afgevuurd op een debatbijeenkomst over christelijke politiek. De baptistengemeente van Huizen had behalve hem ook ChristenUnie-lijsttrekker Veling, SGP-kamerlid Van der Staaij en GroenLinks-wethouder Meijer (Rotterdam) uitgenodigd.
De geroutineerde Hillen hoefde niet naar een antwoord te zoeken. „In het verkiezingsprogramma verwijzen wij niet naar God of naar het christendom. Dat doen we alleen in het beginselprogramma. In het verkiezingsprogramma vertellen we slechts hoeveel wegen we de komende kabinetsperiode willen hebben. En hoeveel huizen.”
Daar komt nog iets bij. „Toen ik op school zat”, vertelt de 54-jarige, rooms-katholieke Hillen, „gingen al mijn klasgenootjes naar de kerk. Nu hebben ze zelf kinderen en gaat niemand van die jongens en meisjes meer naar de kerk. Toch hebben ze in grote lijn nog dezelfde waarden en normen als hun ouders. Het CDA wil die jongeren er graag bij hebben. Maar dan moeten we niet te vaak het woord ”christelijk” laten vallen. Dan worden ze meteen kopschuw.”
De jeugd van de baptistengemeente in Huizen mocht met dat antwoord genoegen nemen, bij zijn collega-politici kwam Hillen niet zo gemakkelijk weg. Ze beten zich met name vast in Balkenendes kritiek op de multiculturele samenleving, het thema waarmee de nieuwe CDA-leider vorige week allerwegen aandacht wist te trekken. „Een betoog met diepgang”, vond Veling. „Ook ik vind dat we van allochtonen een grote mate van aanpassing mogen vragen.”
Maar de ChristenUnie-lijsttrekker had ook kritiek. Want: „Waaraan moeten ze zich aanpassen? Hoe kom je nu tot een definitie van de Nederlandse cultuur? Wat zijn dan onze normen en waarden? Omdat daarover heel verschillende opvattingen bestaan, heb je volgens mij een vast ankerpunt nodig: de wet van God. Balkenendes betoog is mij net een tikkeltje te nationalistisch.”
GroenLinks-wethouder Meijer -„Als zoon van ’doorbraak-ouders’ heb ik een gezond wantrouwen tegen christelijke politiek”- plaatste op een ander punt kritische kanttekeningen. „Mijn ervaring met allochtonen is dat ze bijzonder gastvrij zijn. Om zes uur ’s avonds je gasten de deur wijzen omdat je gaat eten, is er bij hen niet bij. Dat lijkt me een waarde waar wij iets van kunnen leren.”
Hillen wilde het nog wel een keer uitleggen. „Als ik de cabaretier Youp van ’t Hek avond aan avond de draak hoor steken met de Nederlandse cultuur, kan ik daar best eens om lachen. Maar hoe komt dat op immigranten over? Is het voorstelbaar dat iemand in Koeweit op die wijze de islam aan zou pakken? En zou dat, als wij naar Koeweit emigreerden, voor ons aanleiding zijn om ons aan de normen en waarden van dat land aan te passen? Of zouden we ons als Nederlanders des te meer in ons eigen clubje opsluiten?”
Sinds de jaren zestig is Nederland zijn eigen cultuur veel te veel gaan relativeren, vindt het CDA-kamerlid. „We gingen er eerst ironisch over doen, later cynisch en nog later sarcastisch. Daarin zijn we doorgeschoten. In die beweging wil Jan Peter Balkenende een keer brengen.”
Maar kun je nu buiten dat christelijke ankerpunt of niet? SGP-kamerlid Van der Staaij -die opmerkelijk genoeg de meeste vragen uit de zaal kreeg, en niet alleen over zijn vrouwenstandpunt- gelooft er niets van. „Er wordt wel vaak gezegd: Wat is er nu zo specifiek christelijk aan jullie visie op de sociale zekerheid of aan jullie buitenlands beleid? Je kunt vanuit een andere levensbeschouwing toch net zo goed tot dergelijke standpunten komen? Maar de onderbouwing van je eigen visie is wel degelijk belangrijk. Die moet je niet onder stoelen of banken steken omdat het iemand kopschuw zou maken.”
Als voorbeeld noemde Van der Staaij het huwelijk. „Ik kan me goed voorstellen dat men twintig, dertig jaar geleden tegen ons zei: Wat is er nu zo bijzonder aan jullie visie op het huwelijk? Die is toch niet typisch christelijk? Dat vindt iedereen toch? Inmiddels weten we hoe het tij gekeerd is. In een debat als dat over het homohuwelijk staan christelijke fracties in het parlement alleen.”