Het loon, de verschillende wettelijke en niet-wettelijke bedingen, de werktijden, de vakantiedagen, de te verrichten werkzaamheden (functieomschrijving), die alle behoren tot de arbeidsvoorwaarden.
Een intrigerende vraag is of deze arbeidsvoorwaarden wat betreft hun inhoud altijd conform de afspraak gemaakt ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. Kan de werkgever vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (minder werk) van de werknemer verlangen dat hij een andere functie gaat vervullen of dat hij in een andere vestiging gaat werken?
Ja, in bepaalde gevallen kan dit van de werknemer worden verlangd, zelfs wanneer het arbeidscontract of de cao daartoe geen expliciete regeling bevat. Tien jaar geleden heeft de Hoge Raad in het arrest Van der Lely/Taxi Hofman erkend dat het zogenoemde „goed werknemerschap” mee kan brengen dat een werknemer ‘meebeweegt’ (in verschillende arresten nadien heeft de Hoge Raad het bestaan van deze verplichting herhaald).
In de aan voornoemd arrest ten grondslag liggende casus ging het om een werknemer (Van der Lely) die voor zijn werk als taxichauffeur/centralist ongeschikt was geworden. In het kader van zijn re-integratie kwam hij met zijn werkgever overeen dat hij parttime aan de slag zou gaan als administrateur/centralist.
Dat ging een tijdje goed, tot hij opnieuw uitviel wegens ziekte. Na weer hersteld te zijn verklaard voor het werk van administrateur/centralist (én dat van chauffeur), waren de omstandigheden waarin de werkgever verkeerde dusdanig gewijzigd dat de werkgever er belang bij had dat Van der Lely zijn functie van taxichauffeur weer zou uitoefenen. Inmiddels was de plaats van Van der Lely namelijk ‘bezet’ door de dochter van de werkgever.
Voor Van der Lely was het aanbod om weer als taxichauffeur te gaan werken onaanvaardbaar. Hij wilde uitsluitend de laatst overeengekomen functie –administrateur/centralist– uitoefenen. De rechtbank was van oordeel dat Van der Lely dit aanbod redelijkerwijs niet had kunnen weigeren.
In cassatie bij de Hoge Raad werd door Van der Lely aangevoerd dat deze opvatting erop neer zou komen dat een werkgever onder omstandigheden gerechtigd zou zijn eenzijdig de overeengekomen werkzaamheden aan te passen en dat de werknemer op straffe van verlies van zijn aanspraak op loon gehouden zou zijn daaraan mee te werken. Een dergelijke opvatting kon toch niet voor ”juist” worden gehouden?
Toch wel, oordeelde de Hoge Raad. Het ”goed werknemerschap” brengt mee dat een werknemer „op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zulks wordt niet anders indien het zou gaan om gewijzigde omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever liggen.”
Of van zo’n situatie kan worden gesproken, hangt onder meer af van de ingrijpendheid van de functiewijziging. Hierop wordt in een volgende aflevering ingegaan.
De auteur is hoogleraar arbeidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Reageren aan scribent? socialezaken@refdag.nl.