Bosareaal
Een paar cijfers: rond 1900 was er in Nederland volgens het CBS een kleine 900.000 hectare bos en natuur. Negentig jaar later was daarvan nog de helft over. Tussen 1990 en 2003 –recentere cijfers ontbreken– nam het bosareaal met 35.000 hectare toe, maar de oppervlakte ‘echte’ natuur daalde nog iets verder.
Tot circa 1960 nam de oppervlakte landbouwgrond toe, eerst door ontginning van natuurlijke gebieden en later door drooglegging van de IJsselmeerpolders. Daarna sloeg de vooruitgang echt toe en moest de landbouw zo’n 300.000 hectare inleveren. Tegelijk is de oppervlakte voor woningen, bedrijfsterreinen en infrastructuur met 340.000 hectare toegenomen.
Niet alleen de oppervlakte natuur, maar ook de soortenrijkdom is drastisch verminderd. Volgens de onlangs verschenen Monitor Duurzaam Nederland is tegenwoordig nog maar zo’n 15 procent van de oorspronkelijke biodiversiteit over. De meeste weidevogels laten nog steeds een teruggang zien en ook de trekvogels hebben het moeilijk.
Wat wij vooruitgang noemen, gaat gepaard met achteruitgang van de soortenrijkdom, dus eigenlijk met destructie van Gods schepping. De halvering van het aantal mensapen en de dreigende verdwijning van de paling vormen andere symptomen van deze tendens. Tegen deze achtergrond lijkt mij een beperking van de uitbreiding van de natuuroppervlakte een verkeerde keus.
Maar de wereldvoedselvoorziening dan? Vanuit dat oogpunt gaat het bij de voorgenomen uitbreiding van de natuur in Nederland slechts om een verwaarloosbare oppervlakte –ongeveer 0,15 procent van het totale landbouwareaal van de EU– en bovendien betreft het lang niet altijd goede landbouwgrond. Een veelvoud van die oppervlakte wordt niet gebruikt om monden te vullen, maar om brandstof te produceren. Wereldwijd gaat het daarbij naar schatting om zo’n 25 miljoen hectare, dat komt overeen met 15 procent van het totale EU-landbouwareaal.
Strijdig
Als de voedselvoorziening ons inderdaad ter harte gaat, kunnen we beter proberen het verbruik van brandstoffen omlaag te krijgen. Dat kan echter consequenties hebben voor de mobiliteit en dat past niet in het streven van alsmaar stijgende consumptie en eindeloos voortdurende economische groei.
Bovendien is het strijdig met gevestigde economische belangen en kan het stemmen kosten. Naarmate de hulpbronnen van de aarde opraken, zal dit streven er meer toe leiden dat de zwakkeren in de verdrukking komen. De echte tegenstelling is niet voedsel of natuur, maar welvaart(sgroei) of rentmeesterschap. Scheppingszorg blijft ondergeschikt aan welvaartsstreven.
De auteur is landbouweconoom en oud-lid van de Eerste Kamer.
Reageren aan scribent? nietbijbroodalleen@refdag.nl.