Als bijvoorbeeld 40 procent minder wordt gewerkt, ontvangt de werknemer over deze 40 procent een WW-uitkering (vaak aangevuld tot 100 procent van het laatstverdiende loon) en voor de andere 60 procent het gewone loon. Op deze wijze kan de werkgever de klappen van een inzakkende economie opvangen zonder dat hij vanwege oplopende loonkosten meteen moet gaan snijden in het personeelsbestand. In feite wordt een deel van de loonkosten opgevangen door de WW.
De regeling blijkt bij het bedrijfsleven in trek te zijn. Heel wat bedrijven maken inmiddels gebruik van de regeling, overwegen dit of zijn nog in onderhandeling met vakbonden. De hamvraag is natuurlijk of de deeltijd-WW uiteindelijk leidt tot minder ontslagwerkloosheid en dus een lagere instroom in de WW.
Kan hierover al iets worden gezegd? In de evaluatie die de minister in juli aan de Tweede Kamer heeft aangeboden, is hierover niet veel te vinden. De minister wijst op een algemeen advies van het Centraal Planbureau met als inhoud „dat de deeltijd-WW naar verwachting een groter positief effect heeft op de instroom in de reguliere WW dan eerder gedacht.” Concrete gegevens over de effectiviteit zijn nog niet voorhanden.
Naar mijn oordeel ontbreekt een duidelijke visie op de te volgen koers.
Weliswaar wordt met de mond beleden dat de regeling bedoeld is om vakkrachten voor het bedrijf te behouden en dat de regeling niet geschikt is als de problematiek een structureel karakter heeft.
In de toelichting wordt hierover gesteld: „Het is van belang dat van het Besluit deeltijd-WW tot behoud van vakkrachten alleen gebruik wordt gemaakt wanneer de werkgever en werknemer verwachten dat er in de toekomst binnen het bedrijf voldoende werk is. (…) Indien het vooruitzicht op werk op langere termijn onzeker is, is het in het belang van zowel werknemer als werkgever dat de werkgelegenheid wordt afgebouwd. Van werk naar werk staat dan voorop.”
Mij is echter niet duidelijk op welke wijze de minister wil voorkomen dat deeltijd-WW voor verkeerde oogmerken wordt ingezet. Van een inhoudelijk toezicht lijkt geen sprake te zijn.
Er zou een strenger toezicht moeten plaatsvinden. Als volgens experts (de minister zou zich door een panel van deskundigen kunnen laten adviseren) in bepaalde sectoren van het bedrijfsleven sprake is van structurele problematiek, dient deeltijd-WW alleen te worden ingezet als middel om werknemers over te plaatsen naar sectoren met een tekort aan arbeidskrachten.
Deeltijd-WW heeft dan niet meer de functie om vakkrachten te behouden, maar om werknemers –eventueel met om- en bijscholing– te begeleiden naar ander werk. Men kan dit vergelijken met het tweede spoor, zoals we dat al langere tijd bij de re-integratie van zieke werknemers kennen. Als er geen passend werk meer voor zieke werknemers in het bedrijf van de werkgever is te vinden, moet worden gezocht naar passend werk bij andere werkgevers.
De crisis vraagt maatregelen van bedrijven. Deel 18: deeltijd-WW.
De auteur is hoogleraar arbeidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Reageren aan scribent? socialezaken@refdag.nl