Bij Haros zetten zo’n zeventig mensen dagelijks zitmeubels in elkaar: grote, romantische banken, klassieke tweezitters en uitnodigende fauteuils. In 1960 kochten de gebroeders Van der Wielen een meubelzaak in Oss; een neef en een schoonzoon namen hem later over. Op dit moment runnen Antwan van Toor en Ton van der Wielen de zaak. „Het Land van Maas en Waal telde begin vorige eeuw wel vijftig meubelfabrieken”, zegt Coolen, die ruim acht jaar bij Haros werkt. „Bijna alle productie is verhuisd naar voormalige Oostbloklanden.”
Maar wat de ervaren krachten in Oss -70 procent van de ambachtslieden is meer dan vijftien jaar in dienst- maken, dat kunnen ze in Polen niet, verzekert Coolen. „Vier pootjes en een frame elkaar zetten, daar is niet veel moeilijks aan.” Rechte, strakke banken hebben niet het hart van de verkoper, hoewel Haros ze wel in de collectie heeft. „Aan een bank zoals je die je bij IKEA of bij Leen Bakker ziet, is voor een vakman niet veel eer te behalen. Alles rechttoe, rechtaan - daar kun je niets aan verprutsen.”
De zitmeubels van Haros zijn maatwerk en vragen vakmanschap. Voor de prijzen van IKEA kan Haros dan ook niet produceren. Een Harosbank kost in de winkel -gemiddeld- tussen de 900 en de 3000 euro. In de showroom staan sierlijke banken met ronde armleuningen, bekleed met verschillende stoffen, of afgewerkt met een extra biesje. Coolen wijst op een gebloemd exemplaar. „Hier is met passie aan gewerkt. Dat zie je aan die vier rozen: ze zijn gelijk over de zitkussens verspreid.” Ook ’botsen’ de kussens niet met het patroon van de bak van de bank; alles sluit netjes aan of loopt in elkaar over.
Voor elk model dat Haros in de collectie heeft -op dit moment tachtig „up-to-date”-, is een mal voorhanden. De bakken, het middengedeelte, zijn vaak standaard; de details en de combinaties van armleuningen maken het verschil. In de loop der jaren zijn er een kleine 200 modellen gemaakt, schat Coolen. Daarvoor zullen in totaal zo’n veertig verschillende rompen zijn ontworpen. Op een romp, waarvan de dragende delen uit beukenhout bestaan, geeft de fabrikant levenslang garantie. Voor de bekleding komen alleen stoffen met het KIM-label in aanmerking, een keurmerk waarvoor meubelstoffen zijn getest op slijtweerstand en kleurvastheid.
„Een fauteuil bekleden kost net zo veel tijd als een driezitsbank”, zegt Coolen terwijl hij door de fabriek loopt, waar houten geraamtes veranderen in vrolijke dan wel gedistingeerde banken. „Het vraagt alleen meestal minder stof.”
Een werknemer zet de schaar in stevig textiel. „Zwaar en secuur werk”, zegt Coolen. „Knippen is de basis van de productie.” Op een lange tafel liggen kant-en-klare hoopjes bekleding. „Eén zo’n stapeltje is een hele bank.”
Voorraadbeheer is een belangrijk onderdeel van het proces. Alle houten armen moeten altijd beschikbaar zijn. Elk kussen -van latex: zacht, of van polyether: stevig- en ieder pootje moeten klaarliggen. Alleen dan slaagt Haros in zijn streven om wekelijks zo’n 300 zitmeubelen af te leveren. Aan Kok Interieurs in Putten bijvoorbeeld, of aan meubelpark De Bongerd in Kesteren. Tachtig procent van de productie blijft in Nederland.
Haros verwacht voorlopig geen grote problemen door de economische crisis. Coolen: „Zitmeubelen blijven nodig. Mensen zullen wel weer echt gaan sparen voor een nieuwe aanschaf, maar wonen blijft belangrijk.” In een tijd waarin partners voltijd- en deeltijdbanen goed op elkaar moeten afstemmen, willen ze bewust wonen, meent hij.
Een zitmeubel kan theoretisch binnen een dag klaar zijn, maar voordat hij in de praktijk „uit de productie loopt” is een bank toch een dag of vier onderweg, aldus Coolen. Hij gaat langs de knip-, stik- en stoffeerafdeling, en belandt in plastic gehuld in het magazijn. Klaar voor vervoer. Klaar voor de huiskamer. Daarvoor wordt een bank tenslotte geboren.