De gemeente deed dit met een beroep op de zogenoemde toerismebepaling in de Winkeltijdenwet. Waar gemeenten normaal gesproken per jaar maximaal twaalf koopzondagen mogen aanwijzen, biedt die bepaling voor toeristische gebieden een uitzondering.
Volgens juridisch adviseur Bert Klijs van milieuorganisatie Stichting Keerpunt maakt Roosendaal echter misbruik van de toerismebepaling om daarmee de zondagsopenstelling te verruimen. Hij diende al bezwaar in bij de Roosendaalse commissie voor de bezwaarschriften en die was het volledig met hem eens. Het advies van die commissie legde de gemeente Roosendaal eerder dit jaar echter naast zich neer. En dus maakte de stichting de bodemprocedure bij het CBB aanhangig die woensdag speelde in het Haagse Paleis van Justitie.
Klijs noemt het Roosendaalse raadsbesluit van vorig jaar „100 procent politiek met 0 procent juridische grondslag.” Volgens de jurist en zijn advocaat Van Oorschot biedt de Winkeltijdenwet weliswaar de mogelijkheid reeds aanwezig toerisme te faciliteren met winkelopenstelling, maar lijkt er in Roosendaal eerder sprake van een „omgekeerde wereld.”
Het plotselinge en zelfbenoemde toeristische karakter van de stad, met het nabij Rosada gelegen recreatiepark De Stok in het bijzonder, lijkt vooral de openstelling van het outletcentrum te faciliteren om juist daarmee de toeristische aantrekkingskracht van Roosendaal te vestigen. ”Pour besoin de la cause”, zouden de Fransen zeggen, oftewel een doelredenering. Maar daarvoor is, aldus Van Oorschot, de wet niet bedoeld: winkelopening op zondag mag niet als een toeristische trekpleister worden gebruikt. Om ruimere zondagsopenstelling mogelijk te maken, hadden die toeristen er al moeten zijn.
Namens het Roosendaalse college en de Amerikaanse McMahon Development Group, uitbater van Rosada, hamerden de advocaten Van Ravels en Klijn er gisteren op dat de Winkeltijdenwet het begrip van wat toeristisch is niet duidelijk definieert en de invulling ervan niet voor niets aan gemeenten overlaat. Bovendien heeft Roosendaal volgens hen een „bovenregionale” en zelfs „internationale” aantrekkingskracht.
De rechter zal nu haar oordeel moeten vellen over de kip-eidiscussie met betrekking tot het toeristische gehalte van Roosendaal. Zij zal daarbij uiteraard kennis nemen van eerdere opmerkingen van een voorzieningenrechter van het CBB.
Die weigerde vorig jaar nog de zondagsopening van het Roosendaalse merkendorp met onmiddellijke ingang te laten verbieden, maar uitte wel meer dan nadrukkelijk zijn twijfels over de toeristische aantrekkingskracht van Roosendaal. Ook stelde hij dat uitzonderingen op de hoofdregel van de Winkeltijdenwet -winkels zijn op zondag gesloten- strikt dienen te worden geïnterpreteerd om de complete wet niet „illusoir” te maken.
Wordt Stichting Keerpunt met haar bezwaren in het gelijk gesteld, dan zou dat grote gevolgen kunnen hebben voor de houdbaarheid van toeristische bepalingen in andere gemeenten, zoals Almere. De casus Roosendaal is daarmee behalve een proefproces tevens een schoolvoorbeeld van hoe minister Van der Hoeven handhaving van de Winkeltijdenwet voor zich ziet.
In een wetsvoorstel van haar hand -waarover de Kamer zich binnenkort buigt- om het misbruik van de toerismebepaling in de Winkeltijdenwet tegen te gaan, verplicht Van der Hoeven gemeenten om voortaan helderder aan te geven waar en waarom een toeristisch regime van toepassing is. Ook moeten gemeenten nadrukkelijker rekening houden met immateriële belangen zoals zondagsrust en leefbaarheid.
Handhaving van de wet acht Van der Hoeven, in tegenstelling tot de Kamerfracties SGP en SP die daarom vorige week een concurrerend initiatiefwetsvoorstel lanceerden, voldoende gewaarborgd door burgers en bedrijven de mogelijkheid van beroep bij het CBB te bieden tegen het besluit van hun gemeente tot een ruimere zondagsopening.
Uitspraak door het CBB wordt binnen enkele weken verwacht.