Op het kantoor van Pom Pom –de naam is geleend uit een wiegeliedje dat Tibboel altijd voor haar drie dochters zong– werken acht personeelsleden. „Maar bij grote klussen loopt er zo twintig man extra rond.”
Het succesverhaal achter het Beverwijkse bedrijf begint in 1992. Tibboel, die dan al een carrière bij de politie achter de rug heeft, rondt de modeacademie af. Als freelancer verkoopt ze tekeningen aan kledingmerken. Als ze dochters krijgt, ontwerpt ze zelf hun garderobes. „Ik produceerde altijd in viervoud, één stel voor een van onze dochters, de andere drie verkocht ik.”
Tijdens een vakantie in Noord-Brabant krijgt ze zo veel enthousiaste reacties op de kleding van haar kinderen dat ze een voorraad maakt en er met een auto vol heen rijdt. Zes à zeven mensen die de avond bezoeken, vragen of ze nog een keer terug wil komen. In verband met de afstand ziet Tibboel dat niet zitten, maar er is tijdens de avond wel een dame aanwezig die party’s wil gaan geven. „Zo had ik in een mum van tijd tien consulentes.”
Per dag produceerde de gedreven onderneemster eigenhandig zo’n zestig kledingstukken. „Omdat ik reuma heb, kreeg ik al snel last van mijn handen. Daarom heb ik toen een fabriek in Polen gezocht.”
„Tegenwoordig laat ik de kleding meestal in India of in China maken.” Tibboel is gemiddeld acht keer per jaar in het buitenland. Bij het selecteren van een fabriek let ze erop dat er geen sprake is van kinderarbeid. Ook probeert ze iets te betekenen voor mensen in de regio daar. „Voor 5000 euro kun je een slaapzaal van een kindertehuis opknappen.”
Een van de eerste succesnummers in de geschiedenis van Pom Pom is de puntmuts. „Ik had er zelfs patent op. Nu, zestien jaar later, denken sommige klanten bij het woord Pom Pom nog steeds aan de puntmuts. Ten onrechte, want natuurlijk gaan ook wij met de tijd mee.”
Toen de party’s op hun hoogtepunt waren, had Tibboel 187 consulentes in dienst. „Ik heb veel aan hen te danken, maar klanten zijn partymoe geworden. Ik heb nu nog zo’n dertig consulentes in dienst en neem geen nieuwe meer aan. Ongeveer 80 procent van onze omzet komt inmiddels uit winkels en verkooppunten. We worden ook in het buitenland verkocht.”
Negen jaar geleden startte de ontwerpster met eigen winkels. „Als ik ergens een leuk pandje zag, was ik verkocht. Vorig jaar ben ik echter zaken gaan afstoten. Onze oudste dochter is heel ernstig ziek geweest. Dat maakte dat mijn man en ik kritisch gingen kijken naar onze activiteiten. Daarom heb ik nu nog maar vier winkels over.”
Het succes van Pom Pom schrijft de ontwerpster toe aan een aantal zaken. „Blijkbaar is er behoefte aan een beschaafd en degelijk uitziende kledingstijl. De prijs-kwaliteitverhouding klopt. Verder versier ik mijn ontwerpen altijd met een lint, riempje of strik en verwerk ik er subtiel iets typisch Hollands als een bootje of een molen in.”
Pom Pom brengt per jaar zes tot acht collecties op de markt. „Doordat ik zelf winkels heb, ken ik de valkuilen. Bij de meeste merken moeten bedrijven negen maanden van te voren orderen. Normaal gesproken kunnen winkeliers dat redelijk inschatten. Nu ze last hebben van de kredietcrisis wordt het een heel ander verhaal. Onze afnemers hoeven de kleding pas te bestellen op het moment dat die in ons magazijn ligt. Ze kunnen een bepaalde collectie net zo lang orderen totdat de voorraad op is.”
Mensen kijken Tibboel ongelovig aan als ze vertelt dat er geen vooropgezet plan achter Pom Pom zit. „Het is ons overkomen. We werken keihard. En zonder mijn man Jur, het financiële brein achter Pom Pom, was de zaak nooit zo groot geworden. Ook aan mijn ouders heb ik veel te danken. Zij zijn Friezen. Vandaar dat ik een echt Fries werkpaard ben. Komt er hier een volle vrachtwagen binnen, dan lossen we die met elkaar.”