Vertegenwoordigd zijn Argentinië, Australië, Brazilië, Canada, China, Duitsland, Frankrijk, India, Indonesië, Italië, Japan, Mexico, Rusland, Saudi-Arabië, Turkije, de VS, het VK, Zuid-Afrika en Zuid-Korea. Blijft over één zetel. Die behoort toe aan de EU. Omdat de Unie als geheel al deelneemt in de persoon van huidig voorzitter Sarkozy, mag Spanje aanschuiven. En, verrassend: premier Balkenende vond donderdag ook nog een uitnodiging op de deurmat. Dat brengt de teller op 21.
Prof. Eijffinger is hoogleraar financiële economie aan de Universiteit van Tilburg. Gevraagd naar zijn verwachtingen ten aanzien van het beraad, antwoordt hij: „Er wordt gepraat, er worden mooie foto’s gemaakt en er wordt een verklaring gepubliceerd met warme bewoordingen, maar er worden geen beslissingen genomen. Dat kan ook niet, want Bush vertrekt over twee maanden. Obama zal daarna, ondanks dat het gezag van de Amerikanen wat is ondergraven, als president van het grootste land de regie voeren over het vervolg. Hij heeft echter besloten niet aanwezig te zijn; begrijpelijk, hij wil eerst zijn eigen aanpak verder uitwerken.”
Als we Sarkozy horen zeggen dat hij binnen honderd dagen concrete maatregelen verlangt, is dat dus veel te ambitieus? Eijffinger: „U weet hoe politici zijn, die hebben een korte horizon. Maar dit heeft echt tijd nodig.” Hij wijst erop dat de realisering van wat heet Basel-II, het mondiale akkoord met voorschriften voor banken over onder meer de hoeveelheid kapitaal die zij dienen aan te houden, ook zo’n tien jaar vergde.
In Basel bevindt zich het hoofdkantoor van de BIS (Bank for International Settlements), een samenwerkingsverband van de centrale banken bij het bewaken van de gezondheid van financiële ondernemingen. Eijffinger dicht deze organisatie -„zij beschikt over de infrastructuur”- een belangrijke rol toe bij het versterken van het toezicht op individuele banken.
„Basel-II, dat de basis vormt voor het toezicht, schiet tekort, heeft de ervaring geleerd. Dat vraagt om reparatie. We koersen dus aan op een Basel-III, met bijvoorbeeld regels om perverse beloningen een halt toe te roepen: bonussen koppelen aan de resultaten op lange termijn en niet aan lucratieve transacties met onverantwoorde risico’s.”
De Tilburgse econoom onderscheidt in het overleg dat in Washington aanvangt twee lijnen. De eerste loopt via de BIS, de tweede via het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Laatstgenoemde instelling dicht hij een spilfunctie toe binnen de nieuwe financiële architectuur. Zij draagt zorg voor de stabiliteit ervan, zij moet de supervisie op en de verantwoordelijkheden van landen beter gestalte geven.
Dat vereist volgens Eijffinger wel ingrijpende wijzigingen in de zeggenschap binnen het Fonds. Hij denkt aan een transformatie naar een „G-20-achtige” verdeling van de macht. „Het IMF is opgericht na de Tweede Wereldoorlog, met suprematie van de Amerikanen; zij waren de overwinnaar. Die dominante positie zullen zij moeten loslaten, gewoon om de veranderende economische verhoudingen in de wereld te weerspiegelen.”
„Daarmee bereik je dat partners als China en Brazilië meer gaan meebetalen. De noodplannen van de laatste weken zijn allemaal ontwikkeld door de VS en Europa, terwijl die opkomende landen juist enorme financiële buffers achter de hand hebben. Wat is er logischer dan die reserves in de toekomst via het IMF aan te wenden. Dan eisen de betrokken regeringen natuurlijk wel een representatieve stem op. Ik denk dat Obama uiteindelijk bereid is tot een opzet conform de G-20, maar daar zullen jaren mee gemoeid zijn.”
Over de stand van zaken wat betreft de actuele crisis merkt Eijffinger op: „We zitten in de eindfase. Hoe lang die duurt, weet ik niet. Er zijn reddingsoperaties uitgevoerd, garanties verstrekt voor interbancaire leningen, kapitaalinjecties toegediend; stuk voor stuk belangrijke maatregelen. Waar we nu op wachten is dat de banken weer hun verantwoordelijkheid nemen, dat ze weer gaan doen wat ze behoren te doen.”
„De geldmarkt komt geleidelijk op gang. De kredietmarkt daarentegen loopt van geen kanten. Mensen in het midden- en kleinbedrijf kunnen nauwelijks financieringsmiddelen krijgen. Dat is niet goed. De banken zijn geholpen door de overheden en indirect door de belastingbetaler. Je mag ze erop aanspreken dat zij op hun beurt ook hun plicht moeten verstaan.”