Xiao Li, een meisje van net achttien jaar, klaagt dat het echt moeilijk is om nieuw werk te vinden. Er zijn bijna geen fabrieken die arbeiders aannemen. „Ik ben al een week op zoek. Mijn geld begint op te raken!” Toen ze nog in de speelgoedfabriek werkte, was alles geregeld. Ze at daar in de kantine en sliep op een slaapzaal, samen met vijf andere jonge vrouwen. „Nu moet ik zelfs voor een flesje water betalen”, zegt ze. „Het is echt moeilijk. Ik zoek nog even door, maar als ik niet snel nieuw werk vind, dan moet ik terug naar mijn geboortedorp - maar daar is helemaal niks.”
Opeenstapeling
Net als een paar van haar voormalige collega’s komt Xiao Li uit Sichuan, in het een halfjaar geleden door een aardbeving getroffen gebied. De overgrote meerderheid van de arbeiders komt uit de binnenlandse provincies van China. Het zijn vaak boerenjongens en -meisjes, voor wie op het platteland weinig te doen is. Wie jong is en niet bang is om te werken, vertrekt naar de industriegebieden aan de kust, zoals de Parelrivierdelta in het zuiden. Het industriegebied rond de Parelrivier, die uitkomt bij Hongkong, staat bekend als de ”werkplaats van de wereld”. Hier werd tot voor kort ongeveer een derde van de Chinese export geproduceerd. Maar de laatste maanden neemt het aantal exportorders af en moet de ene na de andere fabriek de deuren sluiten.
Dat merken ze ook bij KEMA in Guangzhou. Het van oorsprong Nederlandse keuringsinstituut heeft hier een groot laboratorium, waar allerlei elektrische en elektronische apparaten voor de export worden gekeurd. Volgens general manager Stan Zurkiwicz staat het buiten kijf dat de Chinese producenten momenteel in een zeer moeilijke situatie verkeren. „Het is niet alleen de financiële crisis, maar een opeenstapeling van uiteenlopende factoren”, zegt Zurkiwicz. Hij noemt de steeds hogere koers van de Chinese yuan, de gestegen prijs van grondstoffen als ruwe olie en koper en de geleidelijke afschaffing van belastingvoordelen. „En ik denk ook dat de Olympische Spelen, en vooral de moeilijkheden die zakenlieden daardoor hadden om een visum te krijgen, de exportindustrie schade hebben berokkend.”
Wetten
Een ander, niet te onderschatten aspect zijn de gestegen loonkosten. Begin dit jaar heeft China een nieuwe arbeidswet ingevoerd, waarbij de rechten van arbeiders beter zijn beschermd dan voorheen. „Vooral de bedrijven die het moeten hebben van hun lage prijs, zoals de speelgoedindustrie, hebben echt problemen”, zegt Corné Bakker, een Nederlandse fabrikant van plastic mallen in Guangzhou.
„Mensen mogen maar acht uur per dag werken, vijf dagen per week; overwerk wordt betaald. De milieueisen zijn ook strenger geworden, en daardoor gaan veel bedrijven failliet. Eigenlijk is dat voor deze provincie heel goed”, zegt Bakker. „Natuurlijk is het voor de arbeiders die op straat komen te staan heel slecht, maar het zijn juist de goedkope bedrijven die slechte arbeidsomstandigheden hebben, die milieuonvriendelijk werken en slechte materialen gebruiken, en die worden nu gedwongen hun deuren te sluiten.”
Zurkiwicz denkt dat China zich steeds meer zal gaan richten op de binnenlandse markt, in plaats van een exporteur van goedkope producten te willen zijn. Bedrijven als Galanz, de grootste exporteur van magnetrons ter wereld, zijn bezig met het aanpassen van hun producten voor de binnenlandse markt. Ook voor buitenlandse ondernemingen in China, zoals MCG, het bedrijf van Bakker, wordt die Chinese binnenlandse markt steeds aantrekkelijker. „Wij waren altijd op export gericht, maar nu zijn we een fabriek aan het bouwen puur voor de lokale markt. Je moet bedenken: elk jaar komen er in China 10 tot 15 miljoen mensen boven de armoedegrens. En de mensen daarboven schuiven ook weer een beetje op. Dus elk jaar komt er hier een Nederlandse markt bij.”
Opening
Dertig jaar geleden introduceerde de Chinese partijleider Deng Xiaoping zijn opendeurpolitiek. De Volksrepubliek China ging na decennia van geslotenheid onder Mao Zedong open voor handel met het kapitalistische Westen. Daarmee keerde de Communistische Partij zich af van de boeren, die de basis waren van het succes van Mao Zedong. Onder Deng ging de aandacht naar de industriesteden aan de kust. Die hebben zich in de afgelopen decennia dan ook spectaculair ontwikkeld. De welvaart op het platteland nam toe, maar zo veel langzamer in vergelijking met de steden dat er inmiddels een enorme inkomenskloof is ontstaan.
Onder leiding van partijleider Hu Jintao werkt China al jaren aan het dichten van die kloof door het platteland te ontwikkelen. De snel teruglopende export zou wel een sterkere prikkel kunnen zijn dan alle fraaie voornemens tot nu toe. De loodsen van de fabrieken raken door het wegvallen van de export snel vol met goederen.
In de Galanzfabriek werken tienduizenden migrantenarbeiders. Aan de lopende band verricht elke arbeider één handeling, en wat de band opgaat als een metalen blok, rolt er na een kwartier af als een complete magnetron. „Elke dag maken ze hier 60.000 tot 70.000 magnetrons”, vertelt manager Wang Li tijdens de fabrieksrondleiding. Maar van die apparaten gaat nu het merendeel in de opslag, want Galanz heeft flink te lijden onder de terugloop in de export.
Sociale onrust
Maar de overheid springt in. Door industriële bedrijvigheid in plattelandsgebieden te stimuleren en door boeren met speciale stimuleringsprogramma’s elektrische apparaten te verschaffen. Maar of daar op korte termijn de economische redding vandaan kan komen, is nog maar de vraag. Economen hebben al gesuggereerd dat China daarvoor zijn enorme deviezenvoorraad van 2000 miljard dollar zou moeten aanspreken.
Op dit moment zijn het vooral de lokale overheden die hun reserves moeten aanspreken. In Guangdong zorgen verschillende gemeentebesturen ervoor dat de arbeiders van failliete fabrieken worden uitbetaald. „Het is niet genoeg”, zegt Zhang, die een van de technici was in de speelgoedfabriek He Jun. „Ik heb hier ruim acht jaar gewerkt; dat staat niet in verhouding met de vier maanden salaris die de gemeente Dongguang me nu betaalt. Ik heb ook pensioen opgebouwd. Bovendien woonde ik hier waar moet ik nu naartoe?” In Zhangs ogen schiet de overheid tekort, en niemand weet waar de fabrieksdirecteur is. „Die lijkt wel opgelost in de lucht, weggevlogen!” Het groepje werkloze arbeiders moet hard lachen als Zhang dit zegt, maar er klinkt een bittere ondertoon in door. Sociale onrust in de industriesteden betekent een bedreiging voor de harmonieuze samenleving die de Chinese regering zo hoog in het vaandel heeft staan.