Dat de Chinese economie en die van de Amerikanen nauw aan elkaar zijn verbonden, wordt op een viertal punten zichtbaar, aldus Redding. „De eerste link is de Amerikaanse consumentenmarkt, die van levensbelang is voor de Chinese industrie. Loopt de vraag in Amerika terug, dan wordt de Chinese industrie zwaar getroffen.”
Een tweede verbindingslijn is die van China als steenrijke geldverschaffer, die Amerika deze financiële crisis helpt door te komen. „Zonder deze steun zouden de Amerikanen in nog grotere problemen raken.” Een derde koppeling is die van de Amerikaanse dollar. Redding: „Veel van de internationale handel in Azië en tussen Azië en de rest van de wereld wordt betaald in dollars. Vandaar ook het grote belang dat China heeft in een blijvend stabiele dollar.”
Als laatste noemt de Britse econoom de grote rol die de Amerikaanse technologie heeft voor de Chinese industrie.
Dit alles houdt in dat zodra de Amerikaanse economie verziekt -als gevolg van de financiële crisis- ook de Chinese economie onderuitgaat. „China is nog onvoldoende ontwikkeld, en heeft daardoor nog te weinig kracht om onafhankelijk van de Amerikaanse markt te opereren. Chinezen hebben niet zelf die organisatorische capaciteit om zelfstandig de wereldmarkt te bespelen en juist daarom is hun economie buitengewoon kwetsbaar.”
Een daling van de Amerikaanse vraag naar consumentenproducten is onvermijdelijk, en zal dus ernstige gevolgen hebben voor China. „Veel kleine en middelgrote bedrijven zullen er failliet gaan, omdat ze nu al opereren binnen smalle marges, en daardoor nauwelijks weerbaar zijn tegen een teruglopende vraag.” De grote hoeveelheid mensen die daardoor op straat komt, zal zeker gaan zorgen voor sociale onrust, maar dat er een gevaarlijke ontwrichting van de samenleving ontstaat verwacht Redding niet. „China is gewend aan de grillen van de arbeidsmarkt. Door het opdoeken van een groot deel van de staatsbedrijven zijn tussen 1998 en 2003 in totaal 35 miljoen mensen hun baan kwijt geraakt. Die zijn allemaal via de arbeidsmarkt in een andere richting gedirigeerd. Als een staat dat kan, hoeft hij ook nu niet te vrezen voor chaos.”
Daar komt bij dat het Chinese platteland een -in de wereld uniek- groot absorptievermogen bezit vanwege het grote areaal braakliggende landbouwgrond. „De laatste twintig jaar was er sprake van een enorm grote trek van de boerderij naar de industrieën aan de oostkust. De komende drie, vier jaar zullen deze mensen teruggaan naar het platteland, waar veel braakliggende landbouwgrond is, waarvan de staat graag zou zien dat die weer in gebruik wordt genomen. Op het platteland zullen al die ontslagen werknemers wachten op herstel van de industriële productie aan de oostkust.”
Zal China de rol van dominante kapitalistische grootmacht nu versneld van de VS overnemen? En is de verschuiving van het economisch zwaartepunt weldra definitief van West naar Oost? Redding gelooft er niets van. „China kan die rol slechts op één terrein spelen, als geldverschaffer, dankzij een deviezenreserve van 1800 miljard dollar. Voor de opbouw van stabiele instellingen voor de internationale financiële wereld is China niet geschikt: die heeft het land namelijk zelf niet eens.”
Redding wijst erop dat China niet een „institutioneel geheel” kent waardoor de economie er op zich zelf kan draaien, zonder staatsbemoeienis. „Zo hebben ze geen goed accountingsysteem, geen efficiënte aandelenmarkt, geen professioneel managementsysteem, en zelfs geen goed wettelijk kader voor economische activiteiten. De staat moet om die reden wel de hele zaak bijeen houden, terwijl intussen al deze nog ontbrekende instellingen zich kunnen ontwikkelen”. Overigens is China daarin niet uniek: in Zuid-Korea, Taiwan en Japan gebeurde ooit hetzelfde.
Is het Chinese model door de crisis op Wall Street meer acceptabel geworden als alternatief voor het ongebreidelde Westerse kapitalisme? Redding ontkent het, en typeert de Chinese economie als „een reusachtig laboratorium” waar miljoenen experimenten aan de gang zijn, en dat alles onder algehele leiding van de staat en de partij. „Er bestaat niet zoiets als het Chinese model, enkel een laboratorium waar van alles wordt uitgeprobeerd.”
Naast die ongekend grote diversiteit aan economische activiteiten, is er ook de grote mate van decentralisatie van de economische besluitvorming die het Chinese model zo bijzonder maakt. Redding noemt beide aspecten samen „de grote paradox van het Chinese systeem”, omdat het alles gebeurt in een totalitaire staat.
De les die de Chinezen zelf uit de financiële crisis trekken, is er een in conservatieve richting. „Liberale markteconomieën in het Westen steunen zwaar op de financiële markten”; die bepalen waar de kapitaalstromen heengaan. De Chinezen hebben dat nooit zo ver laten komen. Zo was tot voor kort de kapitaalmarkt er enkel voor de staatssector. De private sector, nota bene twee derde van de economie, heeft pas zeer onlangs daar toegang gekregen.” Dat de kapitaalmarkt niet ongebreideld zijn gang mag gaan, wisten de Chinezen dus al, en ze zien nu in Amerika hun gelijk bevestigd.
Hoe diep die overtuiging bij de Chinese leidslieden zit, is nog maar de vraag. Misschien experimenteren ze toch liever dan dat ze dogmatiseren. Hoe is anders te verklaren dat China momenteel een van de weinige landen in de wereld is waar het beruchte ”shortselling” nog wel is toegestaan?