Aan het woord is Joop van Santen, hoofdpersoon uit ”Het taaie ongerief”, een verhaal van Theo Thijssen dat van november 1931 tot februari 1932 verscheen als feuilleton in het sociaaldemocratische dagblad Het Volk. Joop is een schooljongetje dat worstelt met het probleem van kleding: zelfgemaakte broeken die er net wat anders uitzien dan die uit de winkel, een boezelaar die zijn armoedige bloesje moet verhullen, een dikke jas die erg mooi lijkt, maar bij nader inzien uit de toon valt op school.
Geld voor dure kleren of stapels broeken hadden zijn ouders niet. Daarmee is Joop een fictief voorbeeld van veel jongens -en volwassenen- uit die tijd. Thijssen schreef het verhaal tijdens de grootste economische crisis van de vorige eeuw. De malaise was begonnen in de VS, waar een overproductie in de landbouw én in de industrie zorgde voor sterke prijsdalingen, schulden bij de boeren, problemen bij de banken. Op 24 oktober 1929 crashten de aandelenkoersen in New York. Mensen probeerden massaal hun spaargeld op te nemen, waarop de banken over de kop gingen. De koopkracht van ontslagen werknemers daalde tot nul.
De klappen dreunden door over de hele wereld. Ook in Nederland kelderden prijzen. Groenten en fruit werden doorgedraaid; de werkloosheidscijfers stegen dramatisch.
Kaas
In woon-zorgcentra als Beth-San in Moerkapelle wonen mensen die deze tijd nog hebben meegemaakt. M. Both, geboren in 1907, en zijn vrouw G. Both-Roozenboom (1919) moeten graven in hun geheugen - het is lang geleden en er is sindsdien alweer zoveel gebeurd. Mevrouw Both staart peinzend het raam uit. Buiten lopen mensen langs; aan de overkant wordt gebouwd. „Ik weet het niet goed meer”, zegt ze. „Wij hadden een eigen boerenbedrijf in Montfoort, we leden geen honger.”
„Bij jullie haalden voorbijgangers eten uit de keuken”, weet haar man, die ruim honderd jaar aan herinneringen met zich meedraagt. „Daar stond een schaal rogge klaar, en die namen ze mee.” Gebrek aan eten was er niet op de boerderij, met een eigen groentetuin en zelf dieren om te slachten.
„Alle mensen hebben er last van als er niet goed wordt verdiend”, zegt Both, wiens vader destijds „doorlopend ziek” was. „Hij kreeg geen adem. Hij had de Spaanse griep gehad en daar is hij niet beter van geworden.”
Both komt uit een gezin met zeven kinderen. „Het was allemaal net aan. Anderen kregen nog wel eens wat, maar wij kregen geen rooie cent. Niet van de gemeente en ook niet van de kerk. We hebben er trouwens ook niet om gevraagd.” Later zorgden getrouwde dochters voor extraatjes: zakken met kapucijners, roggebrood. „Maar schraalhans was keukenmeester.”
Toen Both zijn eerste baantje kreeg, bedroeg zijn salaris een krappe 6 gulden per week. Hij werkte -24 jaar lang- bij een kaashandel in Bodegraven, en daarna nog 23 jaar bij een andere kaasboer. „Kaas bracht in de crisistijd per kilo 21 cent op. Dat is natuurlijk niks. Boeren kregen er weinig geld voor, net als voor de eieren. Ik at veel kaas hoor, toen.”
Vis
Ook de prijs van de vis deed het niet best tussen 1930 en 1940, weet een 92-jarige bovenbuurman van Both, C. Verbaan. Verbaan, geboren in 1917, ging op zijn veertiende varen. Zo ging dat in zijn dorp, Scheveningen. „Ik ben 100 meter van de zee af geboren, vlak bij de vuurtoren, en ik wilde naar zee. Mijn moeder was weduwe. We hadden een groot gezin, en omdat er zes jongens waren konden we het redden. Vier van ons voeren wekenlang op zee: wij waren uit de kost. Aan boord aten we elke dag vis. Als we terugkwamen, mochten we wat meenemen voor thuis. Vrouwenvis noemden we dat. We zochten de lekkerste uit: haring, tong en schol.”
De levensstandaard was erg laag, vertelt Verbaan. „Als iemand mij in de jaren 30 zou hebben gezegd: Jij rijdt ooit in een auto, dan zou ik het niet hebben geloofd. Ik werd geboren in een huisje zonder riolering, gas en licht. We gebruikten een petroleumstel en kaarsen. Het is niet meer voor te stellen natuurlijk, maar je betaalde een huur van 1,50 tot 2 gulden per week. Voor 3 centen kocht je een kilo groenten of aardappelen; voor ’n gulden had je 5 pond spek. Wie geen werk had, kreeg een uitkering van de gemeente: 10 gulden per week voor een echtpaar, en twee kwartjes een kind.”
De marktprijzen van vis zakten in. „In 1937 bracht een vat met daarin zo’n 950 zoute haringen maar 5, 6 gulden op. Daar verdiende je dus niet aan. De schippers kregen opdracht van de rederij: Gooi ze maar weer overboord. Mensen kwamen in opstand; socialistische partijen schoten als paddenstoelen uit de grond.”
Scheveningen was een christelijk dorp, en dat was te merken. „Op verschillende schepen werd ’s zondags -en ook wel doordeweeks- uit de Bijbel gelezen, en uit de prekenbundel ”De godvruchtige zeeman”. Ik had een oom die jonge matrozen de catechismus liet leren; één zondag per week. „De plicht doen” noemden we dat. De schipper of een matroos deed een gebed, en we zongen een psalm.”
In 1930 kwam er verandering in die traditie. „De rederij besloot dat we ook ’s zondags moesten werken om haring te vangen. Toen zei 90 procent van de vissers: Als ik ’s zondags mijn netten laat zakken, hoef ik ook geen zegen meer te vragen. De plicht werd afgeschaft.” Een enkeling zocht werk aan de wal, dat echter nauwelijks te vinden was, of begon voor zichzelf.
In de crisistijd waren er gezinnen die ’s avonds geen warme maaltijd op tafel hadden, weet Verbaan. „Sommigen hadden het zo arm dat ze naar de diaconie moesten. Maar voor ons heeft de Heere altijd wonderlijk gezorgd.”
Nachtponnen
„Jullie zijn niet goed wijs!” zeiden de mensen tegen het echtpaar Bos, dat in 1932 trouwde en een boerenbedrijf ging runnen in Zoetermeer. „De ene na de andere agrariër ging failliet”, verklaart A. Bos-Dijkshoorn, die samen met haar man M. Bos in Beth-San woont. Zij werd geboren in 1910, hij in 1909. Zij doet het woord, hij hoort erg slecht en zegt af en toe met een zucht dat hij het niet meer weet. „Mijn schoonvader had een grote boerderij. Wij kregen de helft van het vee en het land. Mijn man hield altijd meer van bouwland dan van vee.”
Echt armoede hebben ze nooit gekend, zegt mevrouw Bos. „Wel was het zo dat, als je kleren of schoenen wilde kopen en mensen wisten dat je boer was, ze dan zeiden: Je kunt iets krijgen - als je ruilt. Je kocht niet meer dan nodig was. Trouwens, die overdreven luxe van vandaag leidt ook tot niks.”
Voordat ze trouwde, had de jonge boerin in ’32 haar hele uitzet klaar. En wat voor een. „Ik draag nog nachtponnen die ik toen meenam. Ik kreeg alles van mijn moeder, en naaide ook zelf. De meubels kreeg ik van haar. Daar staan ze. Dat theekastje ginds was een cadeau van mijn man voor mijn verjaardag, nog voordat we trouwden.”
Bij het jonge echtpaar Bos aten altijd mensen mee. „We zaten vaak met z’n twintigen aan tafel. Op een dag kwam er een moeder met een kinderwagen langs, helemaal vanuit Scheveningen. Ze moest nog veel verder; ze was op weg om eten te halen. Ze bleef eten en slapen, en trok toen verder. Op zaterdag kwam ze weer terug, met kapotte voeten. Ze mocht weer blijven slapen, maar ze ging liever verder; ze wilde voor de zondag thuis zijn.”
Ook tijdens Grote Depressie wankelden banken
De vergelijking tussen de huidige economische malaise en de Grote Depressie uit de jaren 30 van de vorige eeuw vliegt dezer dagen veelvuldig over tafel. Maar is ze wel reëel? „Een complete crash van het financiële systeem zou de gelijkenis nóg treffender maken.”
Marcel ten Broeke
Ja, de vergelijking gaat op, zegt Jan Luiten van Zanden, en hij kan het weten. De hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht analyseerde de economische ontwikkeling van Nederland in de achterliggende 500 jaar.
Volgens Van Zanden lijkt de crisis uit de jaren 30 van de vorige eeuw inderdaad het meest op dat wat we nu meemaken. Want ook toen lag het internationale financiële systeem op apegapen en wankelden de banken. „En destijds startte de misère ook met wilde vormen van speculatie in Amerika om vervolgens snel over te waaien naar het Europese vasteland.”
Verschillen tussen toen en nu zijn er echter ook. Vielen de banken in de jaren 30 nadat burgers er massaal hun geld weghaalden nog bij bosjes om, vandaag de dag staan -dankzij intensieve overheidssteun- nagenoeg alle banken nog overeind.
Van Zanden: „Tachtig jaar geleden werd er mondiaal weinig gedaan om wankelende banken te redden. Hier kunnen we niet veel aan doen, was de lijn van vooral de Amerikaanse overheid. Nu wordt met man en macht getracht het bankwezen te stabiliseren.”
Sowieso wordt er volgens de hoogleraar internationaal gezien „redelijk goed” samengewerkt om de crisis te keren. „Zeker in Europees verband lijkt er sprake van gecoördineerde maatregelen.”
Ieder voor zich
Volgens Van Zanden was ook dat tachtig jaar geleden wel anders. „Toen was het ieder voor zich. Er was volstrekt geen samenwerking, zelfs eerder tegenwerking op bepaalde fronten. Er waren grote internationale spanningen, die voor een belangrijk deel voortkwamen uit het feit dat de Eerste Wereldoorlog nog niet volledig was verwerkt. Landen genoten van elkaars crisis. Als het slecht ging met de Duitsers, hadden de Fransen een mooie dag, en andersom.”
Vertonen de twee crises op zichzelf al grote gelijkenis, opvallend genoeg is ook de uitgangspositie van Nederland aan de vooravond van beide gelijkwaardig te noemen. „Net als nu stond Nederland er voorafgaand aan de Grote Depressie goed voor. De concurrentiepositie was prima, de werkloosheid en inflatie relatief laag.”
Een goede uitgangspositie bleek tachtig jaar geleden echter verre van een garantie voor het succesvol doorstaan van de misère. Dacht Nederland zich hier aanvankelijk relatief goed doorheen te slaan, in de praktijk hielde de malaise langer aan dan verwacht. De werkloosheid liep uiteindelijk zelfs op tot ruim 15 procent van de beroepsbevolking. De sterke uitgangspositie keerde zich uiteindelijk zelfs tegen ons land. Van Zanden: „Nederland prijsde zichzelf met zijn sterke en daardoor dure gulden al snel uit de markt.”
Maakte minister Bos van Financiën in de achterliggende maanden faam als crisisbestrijder, aanvankelijk viel in de jaren 30 eenzelfde eer te beurt aan Hendrikus Colijn. Het respect voor de ARP-premier beklijfde echter niet. Van Zanden: „Toen de crisis een nieuwe fase inging, slaagde Colijn er niet in om zijn beleid aan te passen aan de veranderde omstandigheden. De steun voor zijn beleid brokkelde zienderogen af.”
Zorgen
De komende maanden slaat Van Zanden niet zonder zorgen gade. „Hoewel het begin erg hoopgevend was, lijkt de internationale consensus nu wat aan het vervagen. Dat is zorgwekkend. De grote vraag is: gaat Europa over tot de orde van de dag of komt zij alsnog met een gemeenschappelijke visie en aanpak?”
Gebeurt dat niet, dan kan dit volgens Van Zanden verstrekkende gevolgen hebben. „Het grootste verschil tussen de crisis van de jaren 30 en de huidige problematiek is dat destijds het complete internationale financiële systeem uiteenspatte nadat in 1931 het Verenigd Koninkrijk de koppeling van zijn munt aan goud (de zogeheten gouden standaard, MtB) losliet.”
Wat nu nog niet is, kan nog komen, waarschuwt van Zanden. „De huidige crisis is nog niet ten einde. De dollar lijkt onevenwichtig, maar ook binnen de eurozone doen zich spanningen voor. Fragmentatie van het eurogebied behoort tot de mogelijkheden.”
Volgens Van Zanden is het „geen volstrekte onzin” om daarover na te denken. Ook tachtig jaar geleden kwam de implosie van het financiële systeem, twee jaar na de beurskrach die in oktober 1929 de crisis inluidde, als een enorme verrassing. „Niemand had dat verwacht. De gouden standaard werd breed gezien als de basis van alle welvaart.”
De geschiedenis herhaalt zich nooit compleet, weet Van Zanden. „Maar een crash van het financiële systeem in deze tijd zou de gelijkenis met de jaren 30 nóg treffender maken.”