Cartoons als uitlaatklep
Over de ene spotprent doet Oppenheimer een halfuur, over de andere maar zo drie, vier uur. Zijn inspiratie haalt hij uit het nieuws van de dag. „Soms komt de redactie van een krant met een verzoek, maar over het algemeen bepaal ik zelf waarover ik teken.”
Oppenheimer -van Joodse afkomst, maar niet religieus- vindt dat hij over „alles en iedereen” moet kunnen tekenen. „Natuurlijk heb ik voor mezelf grenzen. Bijvoorbeeld dat ik niet wil beledigen om het beledigen. Dat iemand zich beledigd kan voelen door een cartoon van mij, jammer dan.Zo iemand moet maar bellen, mailen of mij aanklagen.”
Er zijn voor Oppenheimer twee soorten spotprenten: smaakvolle en niet smaakvolle. „Ik beoordeel dat het liefst per geval. Ik vind het lastig in het algemeen criteria te geven. Van de twaalf Deense tekeningen waar het nu steeds over gaat, vind ik er elf flauw of slecht getekend. De enige die er bovenuit uitsteekt, is die van de profeet Mohammed die tegen zelfmoordterroristen zegt: Stop nu maar, want we hebben geen maagden meer.”
Oppenheimer aarzelt niet ver te gaan met zijn cartoons. „Ik teken gerust een geslachtsdeel als daar een concrete aanleiding toe is. Maar ik hou er niet van zomaar een politicus in z’n blootje af te beelden. Dat vind ik smakeloos. Net zo goed als een tekening van Bush met een hakenkruis op z’n arm. Zoiets zou ik alleen doen als blijkt dat de Amerikaanse president in zijn jonge jaren nazisympathieën heeft gehad.”
Ondanks zijn Joodse wortels zegt Oppenheimer niet meer dan anderen gevoelig te zijn voor cartoons over Joden. „Ik kan smakelijk lachen om een goeie Jodengrap, ook als die over de oorlog gaat. Dat heeft met mijn leeftijd te maken. Ik ben 30, en dan staat de Holocaust ver bij je vandaan. Voor mijn vader ligt dat duidelijk anders.”
De discussie over de vrijheid van meningsuiting naar aanleiding van de Deense spotprenten vindt Oppenheimer drie keer niks. „Het gaat in deze kwestie helemaal niet om de vraag wat je wel of niet mag tekenen, maar om de vraag of mensen die zich beledigd voelen door een cartoon, in dit geval moslims, met geweld daarop mogen reageren. Ik ben niet blij met de spotprenten op de website van de AEL, toch vind ik dat een volwassener reactie vanuit de Arabische wereld dan het in brand steken van ambassades en het doden van mensen.”
Het tekenen van cartoons is voor Oppenheimer een uitlaatklep. „Ik móét m’n mening geven. Niet uit een behoefte om de wereld te verbeteren, wel omdat wat politici roepen vaak om tegenspraak vraagt. Als ik geen cartoonist was, ging ik op de markt staan of werd ik cabaretier.”
Oppenheimer is tot nu toe nooit aangeklaagd vanwege zijn cartoons. „Ik krijg soms wel negatieve reacties. Ik begrijp ze niet altijd. Mensen verwijten mij bijvoorbeeld dat ik stereotypen gebruik om een moslim te tekenen. Altijd iemand met een spits gezicht en een baardje. Maar ja, wat moet ik anders? Erbij schrijven: Dit is een moslim? Een cartoonist bedient zich bij voorkeur van stereotypen.”