Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

„We vochten voor onze God”

 Leden van Posco 9, de gevechtsgroep van protestants christelijke jongeren die tijdens de burgeroorlog op de Molukken in Ambon stad bloedige gevechten aangingen met moslimburgers. V.l.n.r.: Victor, Veky, James en Herry. Foto RD
 1 van 2  

Leden van Posco 9, de gevechtsgroep van protestants christelijke jongeren die tijdens de burgeroorlog op de Molukken in Ambon stad bloedige gevechten aangingen met moslimburgers. V.l.n.r.: Victor, Veky, James en Herry. Foto RD

Terwijl in Nederland sommige politici druk doende zijn de religieuze kaart te bespelen teneinde hun aanhang te vergroten, zijn Molukkers op Ambon bezig met een moeizaam proces om religieuze tegenstellingen juist te boven te komen. Als geen ander hebben ze tijdens de bloedige burgeroorlog ervaren hoe gevaarlijk het is om bijvoorbeeld christenen tegen moslims op te hitsen. Vooral jonge Molukkers lijden daar nog dagelijks onder. „Endar heeft verschrikkelijk gehuild, bonkend met zijn hoofd op tafel, toen hij zijn gevoel weer terugkreeg.”
Van 1999 tot 2003 woedde er op de Molukken -in het oosten van de Indonesische archipel- een bloedige burgeroorlog tussen moslims en christenen, waarbij naar schatting zo’n 9000 mensen omkwamen en honderdduizenden ontheemd raakten. Het was een smerige oorlog waarin mannen, jongens en zelfs kinderen met zelfgemaakte wapens, granaten en bommen elkaar over en weer bestookten, met kapmessen elkaar afmaakten en huizen in brand staken.

Vijf jaar nadat de vrede werd getekend, lijkt Ambon op het eerste gezicht weer volledig genormaliseerd. Moslims en christenen heten er weer ”semua” (één) te zijn. En inderdaad, in Kota-Ambon, de ruim 263.000 zielen tellende hoofdstad van de provincie Maluku, zijn de meeste huizen herbouwd.

Maar niet zichtbaar is dat de stad langs religieuze lijnen is gescheiden. Geen moslim die het waagt in een christelijke wijk te gaan wonen, en andersom denkt een christen daar ook niet over. Iedere geloofsgroep heeft er zijn eigen woongebied. Zo domineren moslims de wijken langs de kust, met Batu Merah. Christenen zitten meer in het achterland en hogerop in de heuvels - met Benteng en Kuda Mati als de belangrijkste kerngebieden. Wat vroeger gemengd was, is nu volledig gezuiverd van andersgelovigen.

Dat wil niet zeggen dat christenen en moslims niet meer samenwerken en -leven. Leden van de twee geloofsgroepen bezoeken elkaars gebieden nog wel om er te werken, te kopen of te verkopen. Maar er wonen, of er een bedrijf vestigen? Dat is te veel gevraagd. Zelfs er werken is voor velen nog een brug te ver.

Onzichtbaar zijn ook de gevoelens die moslims en christenen vijf jaar na dato nog voor elkaar koesteren. De herinnering aan de moordpartijen van toen in combinatie met hardnekkig voortlevende vooroordelen zou wel eens een gasmengsel kunnen opleveren dat bij het meest futiele incident vlam vat.

En de kans op zulke incidenten is aanzienlijk. In tegenstelling tot de onpersoonlijke samenleving in bijvoorbeeld Nederland, waar stoppen voor een verkeerslicht zo’n beetje de enige uiting van respect voor een landgenoot is geworden, is in de Molukse samenleving persoonlijk en zelfs lijfelijk contact met medeburgers onvermijdelijk. Een ruzie over wisselgeld, of vanwege een verkeersongeluk is hier zo gerezen. Ook op die rampdag in januari 1999 was het een woordenwisseling tussen een christelijke taxichauffeur en een moslimpassagier die Ambon en de Molukken in vlam zette.

Werkloos
Hangt er nog zo’n gasmengsel rond de hoofden van de jongens en mannen die in de eerste jaren na de millenniumwisseling met hun parangs (kapmessen) elkaar afslachtten? In de christenwijk Kuda Mati (destijds het bolwerk van de ”laskar kristen”, de christelijke gevechtsgroepen) is een viertal voormalige strijders bereid tot een gesprek - al houden ze zelf zorgvuldig in de gaten wat ze wel en niet kwijt willen. Zo is praten over de RMS -het ideaal van een onafhankelijke republiek der Zuid-Molukken, waarvan Kuda Mati ook vandaag nog het zenuwcentrum is- ab-so-luut onmogelijk. Als er al over gepraat wordt, dan gebeurt dat fluisterend.

Victor Kaihutu (38), Veky Louhenapessy (31), James Ubwarin (20), Herry Louhenapessy (33) behoorden ten tijde van de burgeroorlog, de kerusuhan, tot Posco 9, naar eigen zeggen de meest onverschrokken groep vechters van de stad. De ontmoeting met de voormalige strijders vindt plaats in een wonderlijke ambiance. De tegen de berghelling gelegen wijk Kuda Mati biedt uitzicht op de Baai van Ambon en op de stad zelf, waarbij spitse kerktorens als blikvanger wedijveren met de koepels van moskeeën. Verder spreken in dit ultra protestants-christelijke deel van de stad -bolwerk van de Gereja Protestan Maluku (GPM)- moslims ongevraagd een indringend een woordje mee bij monde van enkele muezzins, die vanaf minaretten oproepen tot het zoveelste gebed van die dag.

Enigszins gelaten ondergaan de vroegere vechtersbazen het gesprek over de periode dat ze als helden door de straten van Kuda Mati liepen. Dat is nu wel anders. De meesten zijn hun baan door de burgeroorlog kwijtgeraakt. Het bedrijf waar ze werkten, ging failliet, vertrok naar rustiger oorden, of wilde geen christenen meer in dienst. Dat ze vijf jaar na dato nog steeds zonder werk zitten, komt omdat het wantrouwen onder potentiële investeerders nog altijd groot is: hoe stevig is er de vrede?

Wat ook meespeelt is dat een geschikte baas zijn bedrijf wel in het grensgebied tussen de christelijke en islamitische wijken moet neerzetten, willen deze mannen bij hem aan het werk gaan. Iedere dag langdurig een moslimwijk in, zien ze niet zitten. Er zal maar weer iets uitbreken en je bent op dat moment door moslims omringd. Maar het zal volgens Veky nog wel tien, twintig jaar duren voordat een moslimondernemer of -winkelier zijn zaak in een christenwijk neerzet.

Tijdens de burgeroorlog maakten de mannen deel uit van Posco 9, een eenheid van negentien jongens en mannen -de leeftijd varieerde van 25 tot 30- die christenen in heel de stad te hulp schoten, door moslims met hakmessen, bijlen, zelfgemaakte schiettuig en bommen te lijf te gaan. Tientallen van zulke groepen waren in die jaren actief, maar Posco 9 sprong eruit, vertelt James. „We waren voor niemand bang, en hadden unieke bommen - volgestopt met spijkers.” Als ’werkschema’ hanteerde Posco 9 drie dagen vechten, drie dagen rust. En die rust was hard nodig. „Dodelijk vermoeiend waren de dagen en nachten dat er gevochten moest worden”.

Als de begane gruwelijkheden ter sprake komen, valt een hardnekkige stilte. Onderling wordt hier en daar geknipoogd. De boodschap is duidelijk: daarover krijgt die vreemdeling niets te horen. „Het was een kwestie van: dood ik hem, of doodt hij mij”, probeert Veky nog. „We hadden geen keus.” Herry is een stuk principiëler. „We vochten voor onze God, het was een pure godsdienstoorlog.”

Wrede verhalen
Wat voor beeld hadden ze eigenlijk van moslims? „Het enige dat we wisten was dat ze ons wilden uitroeien”, zegt Herry. „Ons was verteld dat heel Ambon op het punt stond geïslamiseerd te worden.” „Er deden ook de meest wrede verhalen de ronde over moslims die christenen vermoordden en hen de ogen uitstaken. Dat was dan voor ons reden hetzelfde bij hen te doen.” De mannen geven toe dat het altijd geruchten waren die ze hoorden, maar desondanks reageerden ze daarop door in actie te komen.

In de moslimwijk Batu Merah ontmoeten we Endar (een zelfgekozen pseudoniem). Deze moslim van half de twintig vocht aan de andere kant van de lijn tegen de christenen. Toen hij in 1999 hoorde dat zijn broer bij een bomaanslag zijn been had verloren, sloegen bij hem de stoppen door en moest en zou hij ten strijde trekken. Zonder toestemming te vragen aan zijn moeder -een oud Moluks bijgeloof onder vechtersbazen- trok hij vanuit het dorp Hitu -in het noorden van het eiland Ambon- met zijn parang ten strijde tegen de christenen van Waiheru.

Zijn eerste slachtoffer maakte hij op het moment dat hij van achteren werd aangevallen en hij uit zelfverdediging met zijn kapmes uithaalde en de buik van zijn aanvaller openreet. Besmeurd met het bloed van zijn slachtoffer rende hij naar huis. „Daar heb ik Allah gesmeekt om vergeving voor wat ik had gedaan: iemand gedood! Lang heeft dat schuldgevoel niet geduurd, want het moorden ging door. Tot 2003, toen de gevechten stopten, doodde Endar nog twee keer een christen met een parang, en een andere met een zelfgemaakt schietwapen. „Ik voelde al snel geen angst meer, dacht dat ik onverslaanbaar was.” Een ware gedaanteverandering van iemand die voor de burgeroorlog bekend stond als een ’softie’. Endar wil het niet meer hebben over de wreedheden die hij en zijn kameraden hebben begaan. „Het was doden om niet zelf te gedood te worden.”

Ook aan moslimzijde gonsde het van geruchten die de strijders opvatten als vrijbrieven om te doden. „Toen we hoorden dat de grote Al Fatahmoskee in Ambon-stad in vlammen was opgegaan (een loos alarm), rukten we uit om wraak te nemen op christelijke buren”, vertelt Endar. Bovendien dachten hij en zijn kameraden dat Ambon op het punt stond door christelijke RMS-milities onder de voet te worden gelopen. „We moeten Ambon op de christenen veroveren, anders worden wij de zee in gedreven.”

Endar kan zich niet herinneren ooit door islamitische geestelijken kritisch te zijn bevraagd of vermaand over begane wreedheden. De christelijke mannen uit Kuda Mati geven eenzelfde reactie op de vraag of kerkelijke leiders kritisch waren tegenover begane wreedheden. Dat laatste brengt de christelijke jongerenwerker van Kuda Mati, Edwin Louhenapessy, ertoe te twijfelen aan de oprechte vredesbedoelingen van de Molukse kerk. Hij zag de als verdediging begonnen oorlog geleidelijk ontaarden in een bloedige wraakcampagne, waarbij zelfs onschuldige voorbijgangers werden opgepakt en vermoord.

Edwin Louhenapessy (30) zat zelf bij het uitbreken van de oorlog op die 19e januari in 1999 midden in een moslimwijk, en had geluk dat hij in een taxibusje met daarop de islamitische naam ”Darusalaam” zat toen hij probeerde weg te komen. Woedende moslims op straat lieten de taxi ongemoeid.

Louhenapessy mocht tijdens de oorlog niet naar het front - hij was er als student niet geschikt voor, vond zijn familie. Zijn taak werd het opvangen en verzorgen van de jongens die terugkwamen uit de met bloed besmeurde sloppen en stegen. Het was de start van een loopbaan als jongerenwerker in Kuda Mati en Benteng die door de burgeroorlog verknipte jongeren weer op het goede spoor wil brengen.

Dubieuze rol
Louhenapessy noemt de rol van de kerkelijke leiders tijdens de burgeroorlog „een dubbele.” „Wanneer de jongens terugkwamen, moesten ze de wapens waarmee ze mensen hadden gedood apart houden, en ook zijzelf dienden zich te melden bij de dienstdoende predikant. De wapens werden dan met water besprenkeld, de jongens en mannen die bloed aan hun handen hadden, moesten geheiligd water drinken, terwijl de predikant tot God om vergeving bad.”

„Aan de ene kant had de kerk haar mond vol over vrede en verzoening”, stelt Louhenapessy, „maar anderzijds was daar dat ritueel van het zegenen der wapens, waarmee de strijd toch maar werd goedgekeurd.” En dan waren er op zondag nog de preken die volgens Edwin vaak een agressieve anti-islamitische inhoud hadden en niets heel lieten van de boodschap van vrede en verzoening.

Intussen lopen er op Ambon en elders op de Molukken tal van jongeren rond die door de verschrikkingen van de burgeroorlog behoorlijk psychisch geschaad zijn. Extra kwetsbaar zijn de kinderen die als ”agas” actief waren: jeugd van tussen de 12 en 15 jaar die de taak had om in vijandelijk gebied woningen in brand te zetten, of zelfs bommen te gooien. De term ”agas” verwijst naar kleine onzichtbare vliegjes die gemeen in je huid kunnen bijten.

Het zijn met name deze kinderen uit de christelijke wijken Kuda Mati en Benteng met wie Louhenapessy de afgelopen jaren intensief is opgetrokken om hen van hun opgelopen trauma’s af te helpen. Sinds 2004 doet hij dat in samenwerking met de internationale jongerenorganisatie YAP (Young Ambassadors for Peace), die door oorlogsgeweld verknipte jongeren wil helpen door hen intensief in contact te brengen met ’gewone’ leeftijdgenoten.

Zorgen maakt Edwin zich over de vele Molukse jongeren in wier harten en hoofden haat en angst nog altijd om voorrang strijden, en die daardoor geen normaal leven kunnen leiden. „Ze hebben enkele jaren de macht gehad, weten wat je met wapens kunt doen. Die trekken zich niets meer van ouderen aan en terroriseren de buurt.” Frustratie is ook een factor die hun gedrag beïnvloedt. „Tijdens de gevechten waren ze iemand, er werd naar hen opgekeken; nu zijn ze het uitschot. Is het dan vreemd dat veel van deze jongens in drank en drugs hun heil zoeken?”

Diep schuldig
Het zou het profiel van Endar kunnen zijn, de voormalige moslimvechtersbaas. Emotieloos, iedereen wantrouwend en stijf van de drugs klopte hij op een dag bij het centrum van YAP in Ambon-stad aan. Hoe slecht hij eraan toe was, weet hij zelf ook nog goed. „Ik kon alleen nog maar haten en vechten. Zag ik een christen op straat, dan lachte ik hem vriendelijk toe. Maar in mijn hart dacht ik: jou krijg ik over een paar minuten wel.”

Medewerkers van YAP herinneren zich hoe Endar na een reeks van praatsessies tot zichzelf kwam. „Endar heeft verschrikkelijk gehuild, bonkend met zijn hoofd op tafel, toen hij zijn gevoel weer terugkreeg”, vertelt een van hen.

Nog altijd voelt de moslimjongeman zich diep schuldig over wat hij tegen christenen heeft misdaan, tegelijkertijd is hij „intens blij” dat hij dankzij YAP een positieve levenshouding heeft teruggekregen.

Jongerenwerker Louhenapessy schat dat alleen al op het eiland Ambon 80 procent van de voormalige strijders aan zijn lot is overgelaten. „De haat die ze nog altijd diep in hun hart hebben jegens moslims of christenen, werkt als een tijdbom, die af kan gaan zodra er in de samenleving incidenten plaatsvinden.” En vanwege hun buitensporig drank- en drugsgebruik neemt die kans op incidenten alleen maar toe.

Klein lichtpuntje is wellicht dat er inmiddels ook vriendschappen zijn ontstaan tussen deze moslim- en christenjongeren, juist omdat ze veel in elkaar als uitschot van de samenleving herkennen. Toch is Louhenapessy niet tot enig optimisme te bewegen. „Wanneer ik met de jongeren praat, is die onderhuidse haat, dat wantrouwen jegens elkaar onmiskenbaar aanwezig.”

Dit is het eerste artikel in een serie over moslims en christenen op Ambon.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek