Schok
Bij binnenkomst in Justus Lipsius, het gebouw in Brussel waarin de Europese regeringsleiders, ministers en diplomaten vergaderen en waarin De Vries en zijn staf zetelen, worden we meteen geconfronteerd met het onderwerp waarover we met hem willen praten. Mobiele telefoon en metalen voorwerpen als muntjes moeten in een plastic bakje, vervolgens door het detectiepoortje lopen. Daarna perskaart en paspoort tonen en dan met de lift en door een doolhof van gangen naar zijn werkkamer. De deur openen van buitenaf kan alleen met een gecodeerd pasje. De beveiliging is hier overal voelbaar.
11 september 2001, ook voor De Vries natuurlijk een dag die hij nooit zal vergeten. De liberale politicus was destijds staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. „Ik zat in een overleg in de Thorbeckezaal op het ministerie. Mijn secretaresse kwam binnen en brak de bespreking abrupt af. Ik ging mee en zag op de televisie hoe het tweede toestel zich in de WTC-torens boorde. Verbijsterende beelden. De volle omvang van de gevolgen dringt pas later tot je door.”
Vijf jaar na dato evalueert hij: „De verwoesting van de Twin Towers bezorgde Amerika een traumatische schok. Dat beïnvloedt de internationale agenda tot op vandaag. De gebeurtenissen brachten ook belangrijke wijzigingen in de aard van het terrorisme en in de nationale veiligheid. In Europa hadden we reeds trieste ervaringen met organisaties als ETA en IRA, maar die streefden binnenlandse doelen na, die politiek van inhoud waren; bovendien beoogden die groepen een beperkt aantal slachtoffers. Nu beleven we terreur met een grensoverschrijdend karakter, met een gedeeltelijk religieuze lading en met uitdrukkelijk de inzet zo veel mogelijk burgers te vermoorden.”
Samenwerking
Drs. G. M. de Vries (50) is door en door vertrouwd met Europa. Gedurende zo’n veertien jaar had hij voor de VVD zitting in het Europees Parlement. Later vertegenwoordigde hij de regering in de conventie die een ontwerp voor de grondwet vervaardigde. In maart 2004 trad hij aan in zijn huidige functie, als rechterhand van zijn baas, EU-buitenlandtopman Solana. „Een beleidsvoorbereidende taak”, zo duidt hij zijn job aan. „De ministers nemen de besluiten, ik mag hen helpen om de gemeenschappelijke aanpak te verwezenlijken.” Hij ontwikkelde een actieprogramma en een meerjarenstrategie met daarin reeksen van plannen en aandachtspunten.
Zijn er inderdaad resultaten geboekt? De Vries haalt er twee voor het voetlicht. Ze kenden -„daarom noem ik ze juist”- een moeizame voorgeschiedenis, maar ze werpen nu inmiddels volop hun vruchten af. Hij stelt vast: „Ik signaleer tussen de inlichtingendiensten en opsporingsinstanties een veel betere samenwerking dan voorheen. Dat komt zichtbaar tot uitdrukking in een gezamenlijk analysecentrum. De ministers, in Den Haag Donner en Remkes, krijgen voortaan niet alleen de dreigingsanalyses van de eigen, nationale diensten op hun bureau, maar ook rapporten van experts over het internationale mozaïek in dat verband.”
„Om te illustreren waar de nauwere contacten concreet toe leiden: vorig jaar december werd in Ierland een Algerijn veroordeeld vanwege het voorbereiden van een terreurdaad. Zijn arrestatie vond plaats op basis van informatie-uitwisseling tussen de Ierse, de Franse en de Nederlandse politie.”
„Dan het Europees arrestatiebevel. Dat heeft een forse versnelling bewerkstelligd in de uitlevering tussen de lidstaten van verdachten van zware misdrijven. Vroeger nam die procedure wel een jaar in beslag, tegenwoordig slechts vier tot zes weken. In 2004 ging het om 729 personen, in 2005 -we wachten op het definitieve cijfer- waren het er in ieder geval meer.”
„Investeren in de kwaliteit van de inlichtingen- en opsporingsactiviteiten loont”, concludeert De Vries. „Er is de afgelopen jaren een aanzienlijk aantal aanslagen verijdeld.” Daarbij de toevoeging: „Dat valt overigens primair niet toe te schrijven aan de rol van de EU, maar aan het goede werk van de nationale specialisten.”
Tegelijk ziet hij nog „belangrijke lacunes.” Zo bepleit hij een aanpassing van de wetgeving, waardoor het gemakkelijker wordt voor veiligheidsautoriteiten om Europese databanken en bestanden van instanties in andere landen te raadplegen, met daarin bijvoorbeeld DNA-profielen en gegevens over gestolen auto’s en vervalste identiteitspapieren. Verder dringt hij aan op grotere aandacht voor het beschermen van de energiecentrales en van de telecominfrastructuur.
Stroperigheid
Uiteindelijk een volledig op EU-niveau uitgevoerd veiligheidsbeleid, met oprichting van een soort Europese CIA, staat hem niet voor ogen. „Daar heb ik mijn twijfels over. Vergeet niet dat er zeer verschillende nationale situaties zijn. De Nederlandse politieagent weet beter dan welke collega van elders ook wat er in Nederland speelt. Ik kies voor een pragmatische benadering: houd het gezag nationaal, op voorwaarde dat je wel stimuleert om alle noodzakelijke informatie te delen. Ik denk dat die opzet effectiever is dan centralisatie.”
Op het vlak van de besluitvorming ervaart De Vries de stroperigheid als een voornaam knelpunt. Daarom acht hij op het terrein van justitie het uitbreiden van beslissingen bij meerderheid en dus het inperken van het vetorecht van de lidstaten wenselijk, precies zoals was vastgelegd in de bij de referenda in Frankrijk en Nederland verworpen Europese grondwet.
„Met vijftien partijen aan tafel vergde het al veel tijd om unanimiteit te verkrijgen, met 25 duurt het absoluut te lang. We werken op die manier met één hand op de rug. De veiligheid van de burger is rechtstreeks in het geding.” Die heeft zichzelf dus geen dienst bewezen met het nee tegen het nieuwe verdrag? De Vries: „De burger heeft altijd gelijk, maar hierover zou hij toch nog eens moeten nadenken.”
Spanningsveld
De EU-coördinator hecht er zeer aan dat in de strijd tegen het terrorisme de privacy en de mensenrechten worden geëerbiedigd. In speeches bij openbare optredens brengt hij dat voortdurend naar voren. „De balans tussen veiligheid en vrijheid is naar mijn gevoel fundamenteel voor de doeltreffendheid van de aanpak. Bij het afwenden van terreur zijn we bezig met het verdedigen van elementaire zaken als vrijheid van meningsuiting en van godsdienst. Als we zulke verworvenheden samen met moslims overeind willen houden, moeten we dat doen op een wijze die de grondrechten van de burger niet aantast, althans zo min mogelijk. Dat is voor mij misschien zelfs wel belangrijker dan het ook zeer belangrijke werk in de sfeer van inlichtingen en opsporing.”
„Het Europese mensenrechtenverdrag biedt de ruimte onder strikte voorwaarden tijdelijk een inbreuk te maken op bepaalde punten daaruit. Het verbod op marteling is echter absoluut: altijd en overal.” Met op de achtergrond de commotie over geheime CIA-gevangenissen en vluchten met vermeende terroristen, benadrukt De Vries: „Dat betekent dat de EU en de VS ervoor moeten zorgen dat er geen personen worden overgebracht naar bestemmingen waar zij grote kans lopen gemarteld te worden.”
De vraag of er op dit terrein een spanningsveld ligt met de Amerikanen, beantwoordt hij resoluut met ”ja”. „Ik hoef maar te noemen Guantanamo, Abu Ghraib en de onduidelijkheid over het terugzenden van verdachten naar verre landen. Dat alles heeft het morele gezag van de VS aangetast en daarmee ook de effectiviteit van hun beleid. Indirect ondervinden wij eveneens negatieve gevolgen daarvan. Wij hebben er dus alle belang bij de dialoog met de Amerikanen hierover te intensiveren.”
„Ik denk dat er zowel voor Europa als voor de VS onbenutte kansen zijn om de mensenrechtensituatie in de wereld te verbeteren. Ik refereer daaraan omdat in tal van gebieden, zoals in Pakistan en Egypte, het gebrek aan politieke vrijheid, aan godsdienstvrijheid en aan een zorgvuldig en eerlijk bestuur aanleiding vormt tot radicalisering van moslims. Zulke landen ertoe bewegen nauwgezet om te gaan met de mensenrechten en te werken aan de kwaliteit van de overheid, is essentieel voor de preventie. Radicalisering kan -ik druk me voorzichtig uit- een voedingsbodem zijn voor terrorisme; dat er enig verband bestaat, lijdt geen twijfel.”
Dreiging
Over de kansen op nieuwe gewelddadige acties zegt De Vries: „Aanslagen in Europa blijven waarschijnlijk. Er zijn er veel voorkomen, maar er is geen honderd procent zekerheid dat het niet meer gebeurt.” Hij merkt verder op dat het risico op een aanval met chemische, biologische of atoomwapens toeneemt. De EU-coördinator heeft de ministers gewezen op de noodzaak beter voorbereid te zijn op die dreiging. „Ik vermeld erbij: volgens de meeste analisten zijn terreurdaden met traditionele middelen voorlopig waarschijnlijker, maar tegelijk stellen we vast dat diverse organisaties, niet alleen al-Qaida, actief onderzoek doen naar mogelijkheden om niet-conventionele instrumenten te gebruiken.” „We moeten overigens met beide benen op de grond blijven staan. Niet doorslaan, geen overreacties. We kunnen constateren dat het niet gelukt is landen op de knieën te krijgen. Spanje en Engeland legden grote waardigheid en rust aan de dag na de bomexplosies daar in de voorbije jaren. De golf van paniek die de terroristen hadden gehoopt los te maken, bleef uit. De democratieën blijken een stuk sterker dan zij dachten en dat mag reden zijn tot zelfvertrouwen en nuchterheid. Maar we blijven kwetsbaar.”