De faculteit in Sarajevo vormt het oudste en grootste centrum van islamitische geleerdheid in Europa buiten Turkije. De instelling dankt haar bestaan aan de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. In 1878 nam Wenen het bestuur van Bosnië en Herzegovina over van het steeds zwakker wordende Osmaanse Rijk. In datzelfde jaar riepen de Oostenrijkers de universiteit in het leven, waar islamitische rechters wegwijs werd gemaakt in het Europese, seculiere rechtssysteem zonder dat ze hun religieuze overtuigingen hoefden prijs te geven.
Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) -als gevolg waarvan het eens zo oppermachtige Oostenrijkse keizerrijk in vele stukjes uiteenviel- werd Bosnië-Herzegovina, evenals onder andere Servië en Kroatië, een van de deelrepublieken van het nieuwe Joegoslavië. Hoewel de verschillende etniciteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog (opnieuw) met elkaar slaags raakten, leefden ze vooral onder de communistische knoet van maarschalk Tito vreedzaam samen. Totdat begin jaren negentig de burgeroorlog uitbrak, met als resultaat het uiteenvallen van Joegoslavië, waarbij het soevereine Bosnië-Herzegovina werd ’opgedeeld’ in de Republika Srpska en de Federatie van Kroaten en Bosniakken.
De oorlog in het voormalig Joegoslavië zorgde tot een opleving van de islam in Bosnië, dat met zijn verdeeldheid tussen Serviërs, Kroaten en Bosniakken als een Joegoslavië in het klein kan worden beschouwd. Voor een belangrijk deel had dit te maken met de zoektocht naar een nieuwe identiteit. In het oude Joegoslavië spraken Serviërs, Kroaten en Bosniërs allen een variant van een en dezelfde taal. Bovendien maakten ze deel uit van nagenoeg dezelfde cultuur. Vandaar dat de verschillende bevolkingsgroepen al gauw uitkwamen bij hun religie. Ineens drong het besef weer door dat Serviërs orthodox, Kroaten rooms-katholiek en Bosniakken moslim waren.
Een andere oorzaak voor de herrijzenis van de islam was de steun vanuit de Arabische wereld tijdens de oorlog. Landen zoals Iran en Saudi-Arabië besloten hun geloofsgenoten met financiële en materiële hulp terzijde te staan. Voor een groot deel werd dit in de hand gewerkt doordat voor Joegoslavië een wapenboycot gold. Daarnaast kwamen moedjahedien als vrijwilligers naar Bosnië om hun broeders bij te staan in de strijd tegen de ’ongelovigen’. Van hen bleven naar schatting enkele honderden na afloop van de oorlog in Bosnische dorpen achter.
De relatie met de Arabieren bleef niet zonder gevolgen. Vrouwen in Sarajevo liepen op straat ineens weer met een hoofddoekje, hoewel hun aantal nog altijd stukken lager was dan in sommige Franse of Britse steden. Daarnaast werden er nieuwe moskeeën uit de grond gestampt, waar islamitische geestelijken uit de Arabische wereld de leerstellingen van de islam gingen verkondigen. Bevond zich voor de oorlog in Bosnië slechts één madrassa -namelijk in Sarajevo- nu zijn er ook in Visoko, Travnik, Mostar en Tuzla islamitische scholen.
Toch heeft de oorlog Bosnië niet schatplichtig gemaakt aan radicale moslims uit het Midden-Oosten, meent de geestelijk leider van de Bosnische moslims, Mustafa Ceric. In een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung eerder dit jaar zei hij: „Wij waarderen het zeer wat landen als Saudi-Arabië voor ons hebben gedaan. Zonder de hulp van de Saudiërs zouden we hier niet zitten. (…) Wij zijn niemand rekenschap verschuldigd. De Bosnische moslims hoeven zich bij niemand te verontschuldigen. Zij wilden zich slechts verdedigen.”
Op het mogelijke gevaar van fundamentalisme gaat Ceric niet in: „Veel Bosnische moslims wisten niet eens dat ze moslim zijn. Weet u wie hen tot moslims heeft gemaakt? Dat waren Kroaten en Serviërs die op een dag kwamen en hun gezegd hebben: „Jullie zijn moslims!”
Van een specifieke ”Bosnische islam” wil Ceric niet spreken, maar volgens hem worden de moslims in Bosnië gestempeld door een „bijzondere Bosnische ervaring”, die kan worden omschreven als „religieus rationalisme”, wat onder meer betekent dat de Bosnische islam „zich aan de regels moet houden.” „Ook onder invloed van de oorlog is daarin niets veranderd. Overigens waren er ook na Dayton (het vredesakkoord dat een einde maakte aan de oorlog, DT) goede redenen geweest voor een radicalisering.”
Dat die is uitgebleven, heeft volgens Ceric te maken met het traditioneel tolerante karakter van de Bosnische islam. „We weten dat we zonder tolerantie niet zullen overleven.”
De in Sarajevo, Caïro en Chicago opgeleide Ceric is sinds het einde van de Bosnische oorlog een warm pleitbezorger van de institutionalisering van een ”Europese islam”, een thema dat na 11 september 2001 uiterst actueel werd. Na de aanslagen in New York, Madrid en Londen riep hij in een verklaring de moslims in Europa ertoe op de tradities van de verlichting en het rationalisme op te nemen en meer werk te maken van integratie.
Moslims moeten zich verbonden weten aan de „Europese grondwet, de heerschappij van de wet, de principes van tolerantie en de waarden van democratie en mensenrechten”, hield Ceric, vorig jaar in Londen, zijn gehoor voor tijdens een conferentie van moslimleiders in Europa. Tegelijkertijd is hij van mening dat Europa tegemoet moet komen aan de „spirituele, culturele, economische en politieke behoeften” van de moslims.
Zijn fraaie woorden ten spijt, is Ceric niet boven kritiek verheven. Tegenover de Britse journalist Nadeem Azam verklaarde de moeilijk toegankelijke Korangeleerde dat hij het als zijn plicht ziet het islamitisch recht zo veel mogelijk toe te passen.
Het zou echter niet realistisch zijn in Bosnië de sharia volledig in te voeren, aldus de moslimleider, die eind vorig jaar werd herkozen, ten nadele van de meer gematigde Enes Karic. Daarnaast verwijten critici Ceric, die door sommige waarnemers wordt beschouwd als de leider van de radicale vleugel van Partij van Democratische Actie (SDA) -de grootste politieke partij van Bosnië- rechtstreekse invloed uit te oefenen op de politiek.
Dat ten slotte ook Bosnië niet vrij is van fundamentalistische smetten, blijkt wel uit de nodige arrestaties van terreurverdachten de afgelopen jaren. Uiteraard kan dat niet alle Bosnische moslims worden aangerekend, van wie velen regelmatig in een café of de bioscoop zijn te vinden. Toch is een waarschuwing op haar plaats, zoals blijkt uit een rapport van de Friedrich-Ebert-Stiftung van vorig jaar: „De personele toeloop, die religieuze, meestal islamitische groeperingen ervaren, die met gelden van de Golfstaten, Indonesië of Maleisië worden gefinancierd, is een indicatie voor de dalende attractiviteit van seculiere aanbiedingen bij jongeren. Een afglijden van grotere, maatschappelijke groepen naar de tot op heden in Bosnië marginale fundamentalistische islam kan niet worden uitgesloten.”
Dit is het derde deel in een serie over de botsing tussen de islam en het Westen.