In een eentonig ritme slaan de golven van de Grote Oceaan stuk op de stranden van de staat Washington. De kust is verlaten, op een enkele wandelaar na. Een grijsgrauwe nevel onttrekt de einder al spoedig aan het gezicht. Vlak boven de zee, op het punt waar bos en water elkaar schijnen te raken, cirkelt een eenzame zeearend.
Verder landinwaarts rijzen enorme cederbomen op, waarbij zelfs de massieve Amerikaanse trucks in het niet vallen. Snelstromende riviertjes banen zich een weg door onafzienbare wouden. Af en toe weerspiegelt het voorjaarszonlicht in het kristalheldere water van een meertje.
Dit is het domein van de Quinaultindianen, die hier sinds mensenheugenis de zee en de rivieren bevissen, schelpdieren vangen en aan bosbouw doen. Het reservaat –de Quinault Indian Nation– strekt zich uit langs een 37 kilometer lange kuststrook aan de Stille Oceaan en omvat meer dan 84.000 hectare naaldbos.
Zo troffen ook de Nederlandse immigranten het land aan, toen ze in de vorige eeuw naar de staat Washington trokken. Vooral in Lynden is een forse Nederlandse gemeenschap ontstaan, die zich vooral met bloemen- en bollenteelt bezighoudt.
Zeven indianenstammen bevolken het Quinaultreservaat: de Quinault, de Queets, de Quilete, de Hoh, de Chehalis, de Chinook en de Cowlitz. Aanvankelijk woonden de indianen in huizen op palen, noodzakelijk wegens de getijdenwerking en de vele overstromingen. Tegenwoordig bevolken ze vooral stacaravans.
Zelfbestuur
In 1856 sloten de Quinault een verdrag met de Amerikaanse regering en kregen ze officieel hun huidige grondgebied toegewezen, evenals een verregaande mate van zelfbestuur. Die autonomie kreeg echter pas echt gestalte toen in 1975 een grondwet werd aangenomen.
Anno 2009 zwaait president Fawn Sharp de scepter over het reservaat, bijgestaan door een stamraad. Eens per jaar, op de laatste zaterdag van maart, komt de Algemene Vergadering bij elkaar om nieuwe stamleden aan te nemen, visgronden toe te wijzen en andere relevante zaken te bespreken. De Quinault Indian Nation telt een kleine 1500 inwoners; het aantal stamleden, van wie de meerderheid buiten het reservaat woont, bedraagt zo’n 3000 personen.
Vandaag de dag zijn de verentooien en de tomahawks verdwenen. Slechts bij culturele evenementen komen ze nog voor de dag. Kettingzagen hebben de bijlen vervangen. Snelle motorboten zijn in de plaats van houten kano’s gekomen.
Maar toch is de traditionele manier van leven niet geheel verdwenen, vertelt de 91-jarige Clifford, bijgenaamd ”Soup”. Alle indianen hebben een ”nickname”, waarmee ze doorgaans worden aangesproken. De meesten kennen niet eens de echte naam van elkaar.
Soup leeft in een stacaravan in de ‘hoofdstad’ van de Quinault Indian Nation, Taholah. In een hoek van de woonkamer staat een achttal geweren. Voor het raam staat een verrekijker op statief. „Daarmee houd ik de zeearenden in de gaten”, zegt de hoogbejaarde indiaan. „Elke dag ga ik nog op zalm vissen.” Op zijn leeftijd? „Ja, ik moet toch wat te eten hebben”, grapt Soup.
Weemoedig
De 76-jarige Francis komt Soup met een bezoekje vereren. Hij heeft geen bijnaam, omdat hij Zweeds bloed heeft en dus geen rasechte indiaan is. Al spoedig komen de sterke verhalen bij de oude mannen los. „Ik heb meer dan honderd elanden gedood”, vertelt Francis met gepaste trots. „Ik weet nog goed dat 1959 een topjaar was. Toen heb ik er elf geschoten.”
Weemoedig blikken beide indianen op het verleden terug. „Vroeger leefden we veel dichter bij de natuur”, vertelt Francis. „De aarde gaf ons alles wat we nodig hadden. Tegenwoordig draait alles om geld. Dat leidt ertoe dat we de natuur gaan overvragen – met alle gevolgen van dien. De federale overheid overlaadt ons vervolgens met regels een voorschriften.”
De Quinault zitten ondertussen ook niet stil om hun leefgebied te beschermen. Zo hebben ze alle stranden in het reservaat voor het publiek gesloten, om de ecosystemen aan de kust te beschermen. De aanleg van een snelweg die het reservaat verder moest ontsluiten, werd eind jaren ’60 stilgelegd. Tot op de dag van vandaag eindigt het asfalt abrupt in het bos.
De maatregelen hebben effect gehad. Was de zeearend vrijwel uit het gebied verdwenen, tegenwoordig is de majestueuze vogel weer regelmatig te bewonderen. „Ik heb wel twintig nesten geteld”, vertelt Soup enthousiast.
Grote zorgen maken Francis en Soup zich over het wegtrekken van jongeren uit het reservaat. „Langzaam maar zeker vergrijst onze bevolking. Ik kan wel begrijpen dat jonge mensen willen studeren en zo, maar het zou zo mooi zijn als ze hun krachten daarna ook aan deze natie zouden geven. Helaas houden de meesten het reservaat na hun studie voor gezien”, aldus Francis.
Nationale trots
Iemand die wél terugkwam is Clarinda ”Pies” Underwood. In haar werkkamer op het ‘VVV-kantoor’ in Taholah prijkt haar diploma van de Washington State University. „Ik woonde eerst buiten het reservaat”, vertelt Pies. „Op een gegeven moment ging mijn zus zich in onze geschiedenis verdiepen en vertelde mij daarover. Ik raakte daardoor zo over mijn afkomst gefascineerd, dat ik hiernaartoe ben gekomen om me volledig voor mijn volk in te zetten.”
In een schuur toont ze een serie kano’s die uit cederbomen zijn uitgehakt. „Dit is onze nationale trots. Elk jaar maken onze jongeren een tocht over de oceaan en keren dan via een zeearm en de rivier weer terug naar Taholah. Mijn zoon van twaalf heeft laatst ook meegedaan. Naderhand schepte hij op over de vele walvissen die hij had gezien.”
Buiten wijst Clarinda Underwood op het strand, dat bezaaid ligt met enorme boomstronken. „Dit is al eeuwenlang ons land. Buitenstaanders kunnen zich niet voorstellen wat eigen grond voor ons betekent.”
Boven de onmetelijke Stille Oceaan verdicht de grijze nevel zich langzaam. Een plotseling opstekende bries laat de golven krullen. De zeearend draait zijn rondjes.
RD-journalisten Jan-Kees Karels en Richard Donk en fotograaf Henk Visscher zochten in de VS naar Nederlandse sporen.
Dit is het laatste deel in een serie.
„Het is een eer om mijn volk te dienen”
Voor oudere indianen is ze ‘gewoon’ Fawn, de jongere generatie spreekt haar met mevrouw de president aan. Fawn R. Sharp zwaait de scepter over de Quinault Indian Nation. „Het is een eer om mijn volk te dienen.”
In de hal van het ‘presidentiële’ kantoor hangt een tekst uit Spreuken 3: „Vertrouw op den Heere met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.” Op het bureau van Fawn Sharp prijkt een plaquette met een vers uit Jeremia 29: „Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.”
„Dat zijn twee leidende visies voor mij”, legt president Sharp uit. „Ik ben ervan overtuigd dat als we als land Gods wil proberen te betrachten, we rijk zullen worden gezegend.”
Sinds maart 2006 geeft de juriste leiding aan de indianen van het Quinaultreservaat. Ze is de tweede vrouw in de geschiedenis van de stam die de hoge post bekleedt. „We worden voor een periode van drie jaar gekozen, maar het aantal termijnen is onbeperkt”, legt Sharp uit.
Met een jaarlijkse begroting van zo’n 42 miljoen dollar moet Sharp het reservaat draaiende houden. Veel geld wordt in natuurbescherming gestoken, vertelt de president. „We proberen daarvoor ook steun in het buitenland te krijgen, zoals laatst op een grote conferentie in Poznan. Indianen hebben natuurlijk het imago dat ze primitief zijn. Maar als gemeenschap hebben we juist een heel hechte band met de natuur, waardoor we als geen ander in staat zijn om het milieu te beschermen.”
Haat-liefdeverhouding
Met de Verenigde Staten heeft het reservaat een haatliefdeverhouding, aldus Sharp. „Natuurlijk zijn we ook Amerikanen. We betalen belasting en gaan naar de stembus. Maar toch blijven we de VS altijd als een bedreiging zien. Alleen door onze identiteit en onze geestelijke traditie te behouden, zijn we hier nog als natie. Niet voor niets zijn we onlangs begonnen onze kinderen weer les in onze oorspronkelijke taal te geven en oude dansen aan te leren.”
De Quinaults hebben vrijwel volledig zelfbeschikkingsrecht en mogen ook belasting innen, vooral op hout dat via bosbouw wordt gewonnen. Een drietraps gerechtelijk apparaat heeft rechtsmacht over alle indianen in het reservaat. „Niet-indianen mogen wij niet berechten en zware misdrijven vallen eveneens buiten onze competentie”, legt Fawn Sharp uit. „Die zaken worden door de federale overheid behandeld.”
Epidemische vormen
Zoals veel indianenreservaten, kampt ook de Quinault Indian Nation met onevenredig veel alcoholisme, drugsgebruik en werkloosheid. Sharp draait er niet omheen: „Het neemt in sommige gebieden echt epidemische vormen aan. We hebben een sociaal programma ontwikkeld dat zich speciaal op jongeren richt. Het doel is om ontspoorde jonge mensen op een goede manier in de maatschappij te re-integreren. Wij hebben daarbij het voordeel dat we niet zo’n paternalistische regering als in Washington hebben.”
Aan het eind van het gesprek onthult de indianenpresident plotseling dat haar grootvader een Nederlander was. „Dat verklaart waarschijnlijk mijn voorliefde voor tulpen”, grinnikt ze.