Maar welk land zou deze handschoen willen opnemen? Minister Bot (Buitenlandse Zaken) reisde in februari, op één van zijn laatste dienstreizen, naar Oslo om daar zijn collega Støre te polsen. Maar politiek bleek dat uitgesloten. Voor de Noorse coalitiepartner Socialistisch Links (SV) is met de 700 man in het relatief rustige noorden van Afghanistan de uiterste grens bereikt.
Maar ook al zou Noorwegen naar Uruzgan willen afreizen, is het maar de grote vraag of zijn leger tegen die klus is opgewassen. Het grootste onderdeel, de landmacht, telt 7500 man. „Minder dan 5000” hiervan is militair, de rest burgerpersoneel, zegt de Noorse defensiedeskundige Ståle Ulriksen van het Noors Instituut voor Internationale Zaken, NUPI. „De meesten zijn dienstplichtig. In de praktijk is er maar één bataljon van hooguit 2500 man van goed getrainde beroepsmilitairen.”
Defensiedeskundigen verwijzen naar de 700 Noorse militairen in het rustige noorden van Afghanistan; regeringsbronnen spreken overigens over slechts 549 militairen. Hieronder vallen ook de ongeveer 100 commando’s in de hoofdstad Kabul. Ulriksen: „De aflossing van deze troepen kost al veel moeite. Uitbreiding zit er echt niet in.”
Overname van een deel van de missie in Uruzgan zou dus betekenen dat Noorwegen andere missies moet opgeven. „Als eerste natuurlijk de inzet in het noorden en de commando’s in Kabul. Verder zou men troepen kunnen onttrekken aan de snellereactiemacht van de NAVO.”
De Nederlandse defensiedeskundige prof. Ko Colijn (Erasmus Universiteit Rotterdam) ziet nog wel een manier om Noorwegen te „verleiden”. „Er valt een driehoeksruil te verzinnen. Namelijk dat Noorwegen het noorden van Afghanistan verlaat en naar Uruzgan komt. Een derde land dat nog vers in Afghanistan is, zou die noordelijke missie kunnen overnemen.”
Colijn schat dat Noorwegen met behoud van de bestaande inzet in het noorden „hooguit 200 man” naar Uruzgan zou kunnen sturen. „Het is duidelijk dat er weinig rek in zit.”
In het geval Noorwegen andere missies opheft, kan de inzet groter zijn, zegt Ulriksen. „Men zou dan maximaal 700 man permanent kunnen inzetten, met soms een tijdelijke piek van 1000 man. Maar zo ver komt het natuurlijk nooit. Er is juist besloten om 200 man naar Sudan te sturen.”
Het mandaat voor de Nederlandse uitzending naar de zuidelijke Afghaanse provincie loopt tot volgend jaar augustus. Nu al moeten er voorbereidingen worden getroffen voor de periode daarna.
Defensiedeskundige Colijn wijst op een specialisme van Noorwegen. „De Noorse commando’s zijn er echt op getraind om in moeilijke omstandigheden te overleven. In Afghanistan zouden ze goed werk kunnen doen. Ze zijn er in 2001 samen met de Amerikanen ingezet.”
Volgens Ulriksen is echter ook het aantal commando’s beperkt. „De landmacht en de marine hebben er samen zo’n 300, schat ik. Wel hebben we bij de marine onderdelen die sterk op de commando’s lijken. Die oefenen trouwens structureel met het Nederlandse leger.”
De grote handicap is het gebrek aan gevechtshelikopters, stelt Colijn. „Men heeft wel transportheli’s, maar geen Apaches. In een gevaarlijk gebied als Uruzgan zijn die eigenlijk wel nodig.”
Oud-minister Kamp (Defensie) zei deze week dat er een besluit was „voor twee jaar en niet langer.” Op zijn verzoek had de NAVO dan ook gezorgd voor een schriftelijke bevestiging dat niet Nederland, maar het bondgenootschap zou zoeken voor een opvolger.
De NAVO heeft Nederland echter inmiddels officieel gevraagd de missie te verlengen, zo zei de huidige minister, Van Middelkoop, woensdag in de marge van de presentatie van het boek ”Uruzgan” van Riekelt Pasterkamp. Over verlenging valt met hem „te praten”, aldus Van Middelkoop. „Maar dan wel in aangepaste vorm. We leveren nu een topprestatie en dat kan niet jarenlang zo doorgaan.”
Van Middelkoop bevestigde dat het zoeken naar een opvolger „formeel” een NAVO-verantwoordelijkheid is. Maar in de praktijk verloopt dit anders. „Je zit natuurlijk in een wereld van netwerken tussen de ministers. Bovendien liggen contacten over dit onderwerp in sommige landen politiek gevoelig. Daarom moet u ons op dit punt even wat ruimte geven.”