Volgens de MRG-studie gaan wereldwijd meer dan 100 miljoen kinderen niet naar school en de meeste van die kinderen –de schatting is 50 tot 70 procent– behoren tot minderheden of inheemse volken.
In een rapport over de staat van minderheden en inheemse volken beschrijft MRG hoe deze kinderen systematisch worden uitgesloten en gediscrimineerd. Hun aandeel is zeer groot in ontwikkelingslanden met het grootste aantal kinderen dat niet naar school gaat, zoals Bangladesh, Ethiopië, India, Kenia, Nigeria en Pakistan.
In Pakistan bijvoorbeeld kunnen deze kinderen niet lezen en schrijven in het Punjabi, ook al is dat de taal van de meerderheid van de bevolking. Schoolkinderen worden er vaak geslagen met stokken als ze niet goed scoren in Engels of Urdu.
„Overheden moeten inzien dat niet alleen een gebrek aan middelen zo veel kinderen van school weghoudt”, zegt MRG-directeur Mark Lattimer. „Tientallen miljoenen kinderen worden systematisch uitgesloten van school of krijgen enkel tweederangsonderwijs als gevolg van etnische of religieuze discriminatie.”
Volgens Lattimer haalt de wereld de Millenniumdoelstellingen voor onderwijs niet als het beleid zich de komende zes jaar niet richt op de noden van de minderheden en inheemse volken. Volgens die doelstellingen moet de hele wereld tegen 2015 op zijn minst basisonderwijs krijgen.
„Het lijkt duidelijk dat kinderen beter leren wanneer ze de taal in de klas begrijpen”, zegt Claire Thomas, een van de auteurs van de studie. „Maar veel kinderen krijgen op school les in een taal die ze slecht begrijpen.”
Volgens Thomas gaan beleidsmakers er vaak ten onrechte van uit dat kinderen nooit echt een nationale taal zullen beheersen als ze onderwijs krijgen in de moedertaal. „Het omgekeerde is waar”, zegt ze. „We hebben het hier over onderwijs in meerdere talen, waarbij kinderen eerst de taal spreken die ze thuis spreken en er geleidelijk andere talen worden geïntroduceerd.”
De meest gediscrimineerde kinderen zijn arme meisjes die op het platteland wonen in een minderheidsgemeenschap. In Guatemala bijvoorbeeld krijgt slechts 4 procent van de „extreem arme” inheemse meisjes nog onderwijs als ze zestien zijn.
Het falende onderwijs belemmert de economische groei en legt de kiemen voor etnische en religieuze conflicten, zegt de studie. In Afrikaanse landen zoals Burundi, Rwanda en Sudan heeft het gebrek aan onderwijskansen een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het gewapende conflict.