„Kijk om u heen”, zegt Mufarek, „al deze kids hier zijn moslims. Er is hier geen enkel probleem tussen christenen en moslims.”
Maar wanneer Simon Attalah, een 25-jarige verzekeringsmakelaar de winkel binnenloopt, heeft die een heel ander verhaal. „Dit is de gevaarlijkste plek in heel Libanon. Hier is het destijds allemaal begonnen, en het is nog altijd wij tegen hen. Die laatste oorlog met Israël was niet onze oorlog. Wij begonnen net een normaal leven te krijgen. We hadden onze wapens opgegeven. We begonnen te geloven in een land waar alleen de regering wapens heeft. Maar zij gaan maar door.”
Wat is er precies gebeurd in Ein al-Rumaneh op zaterdag? Volgens sommige lokale kranten zijn sjiitische moslims, woedend over de uitspraken van paus Benedictus XVI over de islam, de weg overgestoken naar de christelijke wijk om er handelszaken aan te vallen.
Niet waar, zegt Ibrahim Berjawi (18). „Ik was erbij. Wat er gebeurd is, is dat de christenen vorige week tijdens de herdenking van de moord op president Bashir Gemayel in 1982 lelijke dingen hebben gezegd over Hezbollah en Hassan Nasrallah. Een groep sjiieten is vervolgens met Hezbollahvlaggen hierheen gekomen. Maar ze zijn in een hinderlaag gelopen.”
Uiteindelijk is het Libanese leger, dat hier permanent tussen de twee gemeenschappen staat opgesteld, tussenbeide gekomen. Zeggen dat er in Libanon een nieuwe burgeroorlog dreigt tussen christenen en moslims, zou overdreven zijn. Maar in dit christelijke bastion -waarover paus Johannes Paulus II ooit zei dat het „cruciaal was voor het voortbestaan van de christelijke aanwezigheid in het Midden-Oosten”- zijn de christenen voortdurend op hun hoede. En de uitspraken van paus Benedictus XVI, vorige week in Duitsland, zijn opnieuw olie op het vuur.
„Het is een opeenstapeling van incidenten sinds de aanslagen van 11 september 2001”, zegt père Daniel Khoury (29) van het aartsbisdom Beiroet van de Maronitische kerk. „Het probleem is dat het christendom in de Arabische wereld synoniem is geworden voor het Westen en alles wat dat vertegenwoordigt. En dat is bijzonder gevaarlijk voor ons christenen die in het Midden-Oosten leven.”
In Khourys kantoor staat de telefoon maandag roodgloeiend. Aan de muur hangt een foto van aartsbisschop Boulos Matar tijdens zijn audiëntie bij de nieuwe paus in Rome. De monseigneur zelf is afwezig; hij heeft te druk met het bedaren van de gemoederen, samen met de andere religieuze leiders in Libanon.
„Zondag was de monseigneur nog in debat op de Libanese televisiezender LBC”, zegt Khoury. „Hij heeft uitgelegd dat het fout is om de islam gelijk te stellen met het terrorisme, maar dat het even fout is om het christendom gelijk te stellen met het Westen. President Bush is niet de vertegenwoordiger van het christendom in de wereld. Wij betalen de prijs voor dat amalgaam.”
Ironisch genoeg is het een naamgenoot van Khoury, de van oorsprong Libanese theoloog Abel Theodor Khoury, die aan de basis lag van de huidige controverse. Het was uit een boek van Khoury dat de paus een dialoog citeerde tussen de Byzantijnse keizer Manuel Paleologos II en een Perzische denker. „Hij had het dus reeds over een dialoog, die zo broodnodig is. Maar de mensen die nu voor problemen zorgen, hebben de tekst van de paus niet eens gelezen. Daar ben ik zeker van.”
Het probleem, zegt Khoury, is dat de paus zijn betoog heeft gehouden voor een gehoor van intellectuelen in een vrijzinnig Europees land, waar vrijheid van meningsuiting een verworven recht is. „Maar hier wordt alles in een religieuze context geplaatst. En voor sommige elementen van de Arabische straat is elk excuus goed om keet te schoppen.”
Maar in Libanon zijn het niet alleen de moslims die alles in een religieuze context plaatsen. Libanon is gebaseerd op een precair evenwicht tussen zeventien verschillende religieuze sektes, en van een scheiding tussen geloof en staat is geen sprake.
Het land werd destijds gecreëerd als een afscheiding van het Franse mandaatgebied dat het huidige Libanon en Syrië omvatte, precies om de christenen in Libanon een meerderheid te bezorgen. Het huidige politieke bestel gaat er nog altijd van uit dat christenen de helft van de bevolking vormen en de moslims de andere helft. Maar mede door het hogere geboortecijfer onder de sjiitische moslims wordt er vandaag van uitgegaan dat moslims zo’n 60 procent van de bevolking uitmaken en de christenen nog maar 30 procent.
Het is de reden waarom de patriarch van de Maronitische Kerk, kardinaal Nasrallah Sfeir, de Libanese christenen voortdurend oproept om vooral niet te emigreren. Tijdens de laatste oorlog met Israël zouden naar schatting 240.000 christenen Libanon hebben verlaten, en velen hebben geen zin om terug te keren. „Mocht Hezbollah ooit aan de macht komen in Libanon”, zei Sfeir in een recent interview, „dan zouden de christenen massaal uit Libanon vertrekken.”
Een deel van het probleem is dat de christenen van Libanon niet met één stem spreken. De bijzonder populaire oud-generaal Michel Aoun, gewezen maronitisch premier en president tijdens de Libanese burgeroorlog, heeft net een monsterverbond gesloten met de fundamentalistische moslimbeweging Hezbollah, dat hem vooral onder de christenen in het zuiden geen windeieren heeft gelegd.
Het wordt makkelijk vergeten dat in het zuiden van Libanon, daar waar Hezbollah het voor het zeggen heeft, niet alleen sjiitische moslims wonen. Rmeich bijvoorbeeld, is een christelijk dorp dat binnen gezichtsafstand van de grens met Israël ligt.
Een christelijk dorp in Libanon herken je meteen: er staat een kerk in het midden. Maar tijdens de laatste oorlog met Israël, zegt Joseph Thanos, de burgemeester van Rmeich, „was het hier net een klein Beiroet: mensen uit heel de regio en van alle geloofsovertuigingen zijn hier komen schuilen.”
Het dorpje van zo’n 7000 inwoners kreeg plots zo’n 20.000 vluchtelingen te verwerken. „Ze waren hierheen gekomen”, aldus Thanos, „omdat Israël boven hun dorpen pamfletten had afgeworpen waarin de mensen werd aangeraden op de vlucht te gaan.”
Maar de Thanossen willen niet gezegd hebben dat het is omdat zij christenen zijn dat Israël hen niet heeft aangevallen. „Het is omdat het terrein zich hier niet leent tot Hezbollahactiviteiten. Het is hier plat, en de Israëliërs kunnen vanaf de heuvels over de grens alles zien”, zegt Odette Thanos, de vrouw van de burgemeester.
Dat klopt niet helemaal. Tony Jreisse,die een fotozaak uitbaat in Rmeich, legt uit hoe het er tijdens de oorlog aan toegegaan is. „We hadden een burgermilitie gevormd en wegversperringen opgeworpen om Hezbollah buiten te houden. Telkens wanneer we Hezbollahmensen zagen, zijn we met hen gaan praten. We hebben hun duidelijk gemaakt dat hun eigen moeders en zussen onder ons verbleven, en dat ze hun Katjoesjaraketten beter elders konden afvuren.”
Slechts één keer liep het fout: nadat Hezbollah toch een raket had afgeschoten vanuit Rmeich werd die prompt beantwoord door een Israëlische bommenregen, waarbij twee doden vielen. „Voor ons christenen in het zuiden is Hezbollah niet een verschrikkelijk iets. Het zijn mensen die we kennen, met wie we elke dag praten. En de oorlog met Israël heeft hier iedereen getroffen, de moslims zowel als de christenen.”
En hoe zit het dan met het geroemde sociale netwerk van Hezbollah? Krijgen de christenen in het zuiden ook hun deel van de dollarbiljetten die Hezbollah zo kwistig rondstrooit? „Nee,” zegt Jreisse, „wij krijgen geld van Michel Aoun, die het op zijn beurt van Hezbollah krijgt.”
Voor Odette Thanos, die niet van politiek houdt, komt het hierop neer: „Wij hebben ons brood gedeeld met de mensen van Hezbollah. Dat was geen politiek gebaar; het was puur op het humanitaire vlak. Wij zijn tenslotte christenen.”
Dit is het vierde artikel in een serie over de botsing tussen de islam en het Westen.