De wijk San Andres in de Filippijnse hoofdstad Manilla kent geen gewetensbezwaarden. Daar is het op zaterdagmiddag een geweldige drukte van mannen en jongens die op de gevechten in de cockpit –zoals de hanenarena wordt genoemd– zijn afgekomen. Vanwege het aanhoudende hanengekraai dat uit het gebouw opklinkt, rijd je de locatie niet gauw voorbij.
Maar binnen wordt dat overstemd door het geroep van het publiek op de tribunes. Mannen die hun inzet op een van de hanen met veel tamtam doorgeven aan de tussenpersonen die zich hier en daar hebben opgesteld.
Zodra de twee hanen in de arena zijn losgelaten, wordt het stil. Vooraf zijn de dieren voorgesteld aan het publiek, in de trant van: „kijk eens hoe fel de mijne is” en hebben de eigenaren de hanen alvast tegen elkaar opgehitst.
Maar dan wordt het menens. Soms lopen de vogels quasinonchalant en pikkend op de grond om elkaar heen, om vervolgens elkaar regelrecht in de veren te vliegen. Wild fladderend en met vooruit gestoken poten hakken ze op elkaar in. In het vlijmscherpe mes dat aan een van de poten is vastgebonden, zit natuurlijk het venijn. Deze gemene dolk maakt dat gevechten nooit langer dan twee, drie minuten duren. Dan zakt algauw een van de twee door de poten en blijft hij als een zielig hoopje veren liggen, terwijl de winnaar op zijn kop en ogen blijft inpikken. De scheidsrechter in de cockpit probeert vaak nog de verenhoop weer op zijn poten te hijsen, maar meestal is dat tevergeefs. Op de tribunes innen winnaars hun peso’s; verliezers moeten dokken. En op het scorebord noteert een medewerker de gegevens van de haan die gewonnen heeft. Die is dan al naar een team verzorgers gebracht om te worden opgelapt en klaargestoomd voor de volgende ronde. De gedode haan verdwijnt in de koekenpan van de eigenaar.
In een aangrenzend zaaltje staan al die tijd tientallen mannen te wachten om hun haan in de arena te droppen. Het dodelijke mes is dan al om een poot gebonden, maar blijft tot vlak voor de strijd ingepakt.
Zodra je er oog voor krijgt, blijkt de stad Manilla, en eigenlijk de hele Filipijnen, één grote cockpit. In iedere straat, steeg of krottenwijk staan ze wel: kooien met daarin een enkele haan. En dan moet je al die mannen bij hun woonhuisjes eens zien knuffelen met hun vogel. Ze hebben ze in hun armen alsof het een baby is, en strelen over de verenpracht alsof ze een wandelende schatkist in handen hebben. Maar hanen kosten juist veel geld, en dat is vanwege de speciale voeding die ze vaak krijgen om krachtpatser te worden. Menige moeder en echtgenote in de sloppenwijken wordt wel eens wanhopig vanwege het kostbare inkomen dat pa weer eens heeft vergooid aan zijn haan.
En wat het uiteindelijk oplevert? Filipijnse mannen hebben heel wat uit te leggen wanneer ze ’s avonds weer eens met hun gezin aan een hanenbout zitten te kluiven.