SPANNINGEN - De aardkorst bestaat uit acht grote en nog een aantal kleinere schollen of platen. Die bewegen onderling voortdurend; ze schuiven langs elkaar of de ene duikt onder de andere. Door die bewegingen ontstaan er langs de randen van de platen soms grote spanningen. Als die zich ontladen, treedt er een aardbeving op. De snelheid waarmee platen langs elkaar bewegen, kan oplopen tot 10 centimeter per jaar. Dat veroorzaakt niet alleen aardbevingen, ook vulkanisme is daar een veel voorkomend verschijnsel; op Java roert zich nu ook de Merapi.
EPICENTRUM - Het epicentrum van de aardbeving is het punt aan het aardoppervlak dat recht boven de haard van de beving ligt. De haard is het hypocentrum. De diepte van de beving van zaterdagmorgen is geschat op enkele tientallen kilometers. Daarmee is het een ondiepe beving en dat is ook, in combinatie met de hoge bevolkingsdichtheid, de belangrijkste verklaring voor het grote aantal slachtoffers en de enorme schade. Diepe bevingen hebben een haard die op 600, 700 kilometer onder het aardoppervlak ligt.
Aardbevingen met een kracht van 6 of meer op de schaal van Richter komen veel voor langs de breukzones rond de Stille Oceaan; zeker maandelijks. Vaak zijn het echter diepe bevingen in dun bevolkte gebieden of in de oceaan. Zo vielen er vorige maand geen slachtoffers bij een beving met een magnitude van 6,8 in de oceaanbodem voor de kust van het eiland Nias.
NASCHOKKEN - Die volgen op vrijwel elke aardbeving. Nadat de spanning tussen verschillende platen sterk is opgelopen en zich uiteindelijk heeft ontladen in een beving, moet de aardkorst zich als het ware weer zetten. Dat gaat gepaard met naschokken; op Java zijn er sinds zaterdag al honderden gesignaleerd.