Toch weet iedereen dat de bewoners van blok B11 en B12 de vroegere buren uit de Maobaxiagaistraat in Beichuan zijn. En de mensen in blok B9 en B10 komen uit de Xiabastraat. Dit kamp is wat er nog over is van het drukke stadscentrum. In het werkelijke Beichuan zijn alle straten onder het puin verdwenen, samen met het grootste deel van de inwoners.
„Zo veel mensen kwamen om in Beichuan”, zegt Jia Hecui, een 65-jarige overlevende uit blok B9. Ze zegt dat zij en veel van haar buren het officiële dodental van 15.000 niet vertrouwen. „Het zijn er eerder 30.000.” Jia verloor een zoon en twee schoolgaande kleinkinderen, en daarnaast ook veel vrienden en verwanten.
Ze herinnert zich met huiveringwekkende precisie de gebeurtenissen op die 12e mei. „Eerst zagen we vanuit ons huis dikke zwarte rook. De lucht kleurde rood, en iedereen in onze flat probeerde zo snel mogelijk naar beneden te komen. Ik greep mijn zuster van tachtig bij haar arm, en zo goed en zo kwaad als het ging, haastten we ons de trappen af. Buiten zag ik dat er al een grote scheur in de gevel van ons huis zat. Op de berghellingen zag ik de bamboebossen vallen. De moed zonk me in de schoenen en ik dacht: We worden weggevaagd. Hoe kunnen we dit overleven?”
Jia keek toe hoe Beichuan instortte. „Ik was zo nerveus als een kat op hete stenen. We wisten niet waar de rest van onze familie was. Ik zag hoe Beichuan bedekt raakte met een dikke laag gruis. Weinig mensen zouden dit overleven. Ik was zo bezorgd, ik kon haast niet ademen. Ik wilde huilen, maar ik had geen tranen. Het leek wel of al mijn tranen direct naar mijn hart gingen.”
Krukje
Onder het breien hebben de voormalige buren uit Beichuan het bijna altijd over de dierbaren die ze die dag verloren. Een jonge vrouw zit op een krukje met haar elf maanden oude baby. Ze vertelt dat ze ook een dochtertje had, dat nu tien jaar geweest zou zijn. „Er zaten 35 kinderen in haar klas, en maar 5 hebben het overleefd.” Overal in Sichuan zijn de scholen het hardst getroffen door de aardbeving. In dit kamp zijn bijna alleen volwassenen en baby’s. De jonge vrouw geeft haar baby de borst terwijl ze verder praat. „We woonden in de Maobaxiagaistraat, op nummer 50. Uit onze straat heeft een aantal mensen het overleefd. Veel van hen wonen nu hier. We praten vaak met elkaar als we tijd hebben. Allemaal verloren we dierbaren tijdens de aardbeving. Dus nu hebben we het gevoel dat we dichter bij elkaar staan dan voorheen. We zijn als familie geworden.”
De andere vrouwen breien snel door. De winter in Sichuan is net begonnen en het is guur weer. Jia Hecui maakt zich zorgen over de kou. „Mijn man en ik zijn allebei niet gezond. Er is hier geen verwarming; ik denk niet dat we warm kunnen blijven. Het is gevaarlijk om een kolenvuurtje te maken in deze woningen. Dus zullen we veel kleren moeten aantrekken.”
Vooralsnog is er een groot tekort aan warme kleding en dekens. „We hebben gehoord dat ze elders wel vijf of zes dekens hebben gekregen, maar wij hebben er nog niet één”, zegt Jia. „Veel spullen verdwijnen ergens onderweg. Ik zou willen dat de instanties de spullen rechtstreeks aan ons bezorgden. Als ze eerst naar de opslag gaan, verdwijnt er van alles.”
Lekkage
Het Rode Kruis gaat de komende weken nog 200.000 dekens uitdelen, maar dat is lang niet genoeg. Volgens de provincie Sichuan zijn zeker nog 800.000 dekens en 700.000 winterjassen nodig, zowel voor de tienduizenden boeren die nog in tenten bivakkeren als voor de honderdduizenden die tijdelijk naar de opvangkampen zijn verhuisd. Er zijn meer dan 600.000 prefabwoningen neergezet in de opvangcentra. Maar binnen is geen verwarming en de wandjes zijn dun. Sommige zijn zo haastig in elkaar gezet, dat ze lekken.
„Het lekt door het dak én er komt water naar binnen via de muren en de grond”, zegt Jia. Ze laat zien dat de muren niet goed aan de vloer bevestigd zijn, zodat er water naar binnen sijpelt. En met haar bezem wijst ze naar de scheuren in het plafond. „Er zijn niet voldoende spijkers gebruikt. En ook de metalen platen die ze gebruiken, zijn in sommige huizen niet goed.”
Haar overbuurvrouw is schoenzolen aan het borduren, een traditioneel tijdverdrijf. „Mijn tijdelijke huis, dat gaat wel, maar ik maak me zorgen over de kou. In Beichuan konden we kolen of hout stoken om ons warm te houden. In deze ”banfang” mag dat niet”, vertelt ze. Banfang is de Chinese naam voor de prefabhuizen, die elders in het land vooral op bouwplaatsen gebruikt worden als onderkomen voor de bouwvakkers.
„Misschien kunnen we onze kookpitjes gebruiken voor warmte. Of vroeg naar bed gaan en de avond in bed doorbrengen. Maar vooral de baby’s vatten makkelijk kou, en we hebben te weinig kleren. Er zou kleding komen uit de provincie Shandong, maar we hebben nog niets. We weten niet waar die blijft.”
Volgens Jia zou het leven in het kamp wel vol te houden zijn als er twee dingen verbeterd zouden worden. Ten eerste de bezorging van de hulpgoederen en ten tweede de aandacht voor de situatie. „Vlak voor de opening van de Olympische Spelen kwamen we hier terecht. Niet in tenten, maar in tijdelijke huizen met televisie. Zodat we de Spelen konden zien”, vertelt ze. „Maar sinds we hiernaartoe verhuisd zijn, kijkt niemand meer naar ons om. In de eerste maanden waren de vrijwilligers en de soldaten erg aardig, en ze brachten ons spullen. Maar nu zijn ze allemaal weg. Het leven hier is goed, maar we hebben verder geen vrienden meer. We zijn helemaal alleen.”
Partner
In de keuken van rij 6 in tijdelijk kamp Jindi aan de straatweg naar Shifang hangt een vrolijke sfeer. Het is lunchtijd. Tien gezinnen delen één keuken. „We komen allemaal uit dezelfde straat in Luoshui”, vertelt Luo Yuhui, een jonge vrouw die groente staat te roerbakken in een grote wok. Het ruikt heerlijk naar Sichuanpepers, een pittige lucht waar je neus van opentrekt. „Dat was de Jindibuurt. We hebben ons kamp naar onze oude straat genoemd.”
De vier vrouwen die staan te koken vertellen dat ze allemaal hun huis zijn kwijtgeraakt door de aardbeving, maar gelukkig hebben ze hun familie nog. Ze zijn ook blij dat de stad Peking zich om hen bekommert. De meeste getroffen gebieden zijn gekoppeld aan een zusterstad of provincie, en die partner moet specifiek voor deze groep aardbevingsslachtoffers voor hulp zorgen. De mensen in dit kamp zijn heel tevreden met hun partner, Peking. „Een maand na de aardbeving hadden ze dit tijdelijke dorp al klaar voor ons”, zegt Luo. „Het ging echt snel. Als straks onze huizen weer herbouwd zijn, willen we terug naar Luoshui. Maar dat zal nog zeker drie jaar duren, want eerst zijn de boeren aan de beurt.”
Voor Luo en haar buurtgenoten is dat geen probleem. „Het is niet zo slecht hier. We gaan goed met elkaar om. Onze band is hechter geworden na de aardbeving. En zo veel mensen in China, en daarbuiten, hebben laten zien dat ze met ons meeleven.”
Plastic bloemen
Het is een wereld van verschil tussen de treurige atmosfeer in het Beichuandorp bij Anxian en het tijdelijke kamp Jindi. Hier hebben de bewoners hun huizen opgefleurd met plastic bloemen en zitjes voor de deur. Sommigen hebben wat meubels kunnen redden uit hun ingestorte huizen en hebben van hun tijdelijke onderkomen een echt thuis gemaakt.
Over de winter maken ze zich niet druk. „We hebben genoeg kleren, ze hebben ons vandaag net een nieuwe lading gebracht. Die kleren komen van de gemeente Peking. En een vorige keer heeft het Rode Kruis ons eten en toiletartikelen gegeven.” Luo Yuhui heeft allemaal planten voor haar huis gezet. Haar buurvrouw Zeng Linfang heeft een pergola gebouwd, met een afdak tegen de regen waaraan plastic begonia’s hangen. „Het sneeuwt hier in de winter, maar het is niet zo heel koud”, zegt Zeng. „We hebben onze gevoerde kleren, we redden het wel.”
De vrouwen uit de Jindibuurt vinden dat ze weinig reden tot klagen hebben. „Ons hele leven staat sinds 12 mei in het teken van de aardbeving. Niemand had verwacht dat het makkelijk zou zijn. Of dat anderen alles voor ons zouden regelen. Echt, de overheid heeft genoeg voor ons gedaan.” De wintermaanden zullen koud genoeg zijn in het tijdelijke dorp, maar in de gezellige keukens komen de vrouwen zich warmen aan het vuur en aan elkaars gezelschap.
Corruptie struikelblok voor wederopbouw
Peking heeft aangekondigd dat er de komende drie jaar ongeveer 100 miljard euro wordt uitgetrokken voor de door de aardbeving getroffen gebieden in Sichuan, Gansu, en Shaanxi. De zwaarst getroffen gebieden hebben elk een partnergemeente of -provincie die voor hulp moet zorgen. Daarnaast zetten talloze hulporganisaties zich in voor de meer afgelegen gebieden.
Dus geld is het probleem niet voor de wederopbouw. Corruptie wel. Een groot deel van het hulpgeld komt niet aan bij degenen voor wie het bedoeld is. Zelfs met basale dingen als het aantal spijkers in het plafond van een tijdelijke woning gaat het mis. De bewoners hebben lekkende woningen, terwijl ergens anders iemand winst maakt op de doorverkochte spijkers.
Bij de aardbeving van zes maanden geleden kwamen disproportioneel veel scholieren om het leven. De constructie van veel schoolgebouwen voldeed niet aan de bouwnormen. ”Tofugebouwen” noemden de overlevenden in Sichuan ze. Van strafvervolging voor de verantwoordelijke aannemers is nog altijd geen sprake.
Nu loopt de financiering voor de wederopbouw van de particuliere huizen grotendeels via de lokale bouwbedrijven. In de dorpen klagen boeren dat hun bouwmaterialen niet aankomen en dat ze dus nog maanden langer in hun tenten moeten doorbrengen. Ze wachten ook op toegezegd geld van de overheid, waarmee ze bakstenen en ander bouwmateriaal kunnen kopen.
Tot nog toe hebben mensen alleen financiële hulp gekregen in de zomermaanden. Pas in oktober werden op veel plaatsen de elektriciteit en telefoonverbinding weer hersteld.