Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

„Zoeken naar onbekenden is ereplicht”

 De poging tot identificatie van onbekende oorlogsslachtoffers is een „ereplicht”, zegt Geert Jonker, hoofd van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht.
 1 van 2  

De poging tot identificatie van onbekende oorlogsslachtoffers is een „ereplicht”, zegt Geert Jonker, hoofd van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht.

LOENEN – Waar eerst een grafzerk lag, verdwijnt nu een schop in de grond. De serene rust op Ereveld Loenen, dodenakker voor oorlogsslachtoffers, wordt deze dagen ruw verstoord. Doel: zekerheid voor nabestaanden.
Een nijdig tuffende graafmachine doorbreekt deze zonovergoten dinsdag de stilte op Ereveld Loenen. De grijper van de groene machine schept met veel lawaai een lading zand omhoog. Omringd door cameramensen en fotografen maken de gravers het karwei af. Ze dragen handschoenen en beschermende kleding. Van de rust die normaal op een begraafplaats te vinden is, valt nu weinig te merken.

De bedrijvigheid vindt plaats rond een reeks witte grafzerken waarop ”Onbekende Nederlander” staat te lezen. Onder deze eenvoudige stenen liggen in de oorlog gestorven mensen begraven van wie de identiteit niet bekend is. De zerken zijn nu uit de aarde getrokken.

Met een ferme duw steekt een in militair tenu gestoken vrouw haar schop in het zand. Met een peilstok duwt ze af en toe in de grond om te controleren hoe ver ze nog moet graven. De soldaat spit door totdat ze op plastic stuit. Daaronder moeten lichamelijke resten liggen. Die worden de komende dagen uit de grond gehaald om DNA af te nemen.

In Loenen startte de Werkgroep Vermiste Personen Tweede Wereldoorlog gisteren het onderzoek naar 28 onbekende Nederlanders die op het ereveld begraven liggen.

Het heeft iets macabers, grafgrond omwoelen.

Voor de werkgroep was het schenden van de grafrust zeker een punt van discussie, erkent Peter van der Graaf, directeur van de Oorlogsgravenstichting, ook vertegenwoordigd in de werkgroep.

Voorop staat echter dat het zinvol is een poging te ondernemen nabestaanden zekerheid te bieden, benadrukt hij. „Grafrust is voor ons zeer belangrijk. Maar je kunt die rust met verstand doorbreken. Het is belangrijk voor nabestaanden dat we proberen de oorlogsslachtoffers te identificeren. We hopen mensen uitsluitsel over het lot van hun familieleden te geven.”

De poging tot identificatie van onbekende oorlogsslachtoffers is een „ereplicht”, zegt Geert Jonker, hoofd van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht. „Wij willen nabestaanden, zoals broers en zussen, weduwen en weduwnaren, helpen.”

Onzekerheid is funest, schetst Jonker. „Ons motto is: vermist is erger dan dood.” Hij noemt het onderzoek een „race tegen de klok”, vanwege onder andere de hoge leeftijd van nabestaanden.

In de vorig jaar opgerichte werkgroep bundelen onder meer de Oorlogsgravenstichting, de Bergings- en Identificatiedienst, het Nederlands Forensisch Instituut en het Rode Kruis hun krachten. Ze maken gebruik van elkaars bestanden. Onder meer vrijwilligers en historici proberen gegevens van de onbekende oorlogsslachtoffers op het spoor te komen.

De in 1945 opgerichte bergingsdienst houdt zich nog altijd bezig met de identificatie van oorlogsslachtoffers. Jaarlijks heeft de dienst ongeveer 40 zaken onder handen. De afgelopen jaren identificeerde de dienst „tienduizenden” lichamen.

Na de oorlog lag Nederland „bezaaid” met slachtoffers, legt Jonker uit. „Het waren vaak militairen die op het slagveld stierven, bijvoorbeeld nadat hun tank was geraakt. Of denk aan linecrossers, mensen die de geallieerde linies probeerden te bereiken. Hun lichamen werden snel begraven.”

Jonker is blij dat DNA-technieken onbekende oorlogsslachtoffers te identificeren zijn. „Deze werkwijze opent nieuwe deuren.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek