Ds. A. A. Egas uit Middelharnis (l.) in gesprek met HJGB stafmedewerker Herman van Wijngaarden (m.) en Johan Quist van RefoAnders (r.) over homo emancipatie. „Ik heb alle respect voor iemand die met Paulus spreekt over een doorn in het vlees, waarom hij of zij een leven in onthouding zal moeten gaan en nooit zal trouwen.” Foto RD, Sjaak Verboom
„Ik spreek wel eens voor een jeugdvereniging over hoe ik omga met mijn homofiele gevoelens. Dan gebeurt het regelmatig dat jongeren na afloop spontaan tegen me zeggen dat het hun was opgevallen dat ik zo normaal ben. Blijkbaar leeft er toch een raar beeld”, werpt HGJB-stafmedewerker Herman van Wijngaarden de predikant tegen. „Een spookbeeld is misschien een te zwaar woord, maar veel mensen uit de gereformeerde gezindte hebben er moeite mee iets positiefs te zeggen over homofilie. Het onderwerp is in een problematische hoek geduwd, waardoor het een zware lading heeft. Zelf begin ik vaak voor een jeugdvereniging met een luchtige omschrijving van mezelf: „Ik ben christen, hou van hazelnootpasta, ga graag naar Londen en ben homo.” Dat laatste is niet mijn hele identiteit, maar een onderdeel ervan.”
Voorbeeldfiguur
Initiatiefnemer Johan Quist van RefoAnders is het daarmee eens. „Het grote probleem is dat veel mensen een beeld van andersgeaarden hebben dat niet op waarheid berust. Christenhomo’s kennen ze niet, maar ze lezen wel in de krant hoe homo’s zich in sauna’s of op een Gay Pride uitleven. Daarom blijven de meeste christenhomo’s anoniem. Juist homofiele jongeren hebben een voorbeeldfiguur nodig van een christen met dezelfde gevoelens.”
Van Wijngaarden: „Ik noem me bewust homoseksueel, al wijs ik op grond van de Bijbel een seksuele relatie met een andere man af. Als iemand het heeft over homofilie, heb ik soms de indruk dat het als een vergoelijking moet klinken, dat het wel meevalt. Zo van: Ik ben homofiel, maar ik doe er niets mee. Dat is een kunstmatig onderscheid. Ook een homofiel heeft seksuele gevoelens.”
„In onze, kerkelijke kringen maken we vanouds onderscheid tussen een homofiele aanleg en een homoseksuele praxis”, reageert ds. Egas. „Het is een bruikbaar onderscheid. Zodra iemand zijn homofiele gevoelens omzet in daden door andere mannen te kussen of hand in hand te lopen, geeft hij uiting aan die gevoelens en spreken we terecht van een homoseksuele praxis.”
Eenzaamheid
De predikant kent via zijn pastoraat diverse homofiele gemeenteleden. „Via een aantal gesprekken probeer ik ruimte te bieden om door te praten over de strijd en eenzaamheid van zo’n jongen of meisje. Dat kan ertoe bijdragen om de homofiele gevoelens een goede plek te geven.”
„Maar leidt dat ertoe dat zo’n jongen zich zó veilig voelt dat het bij iedereen bekend mag worden dat hij een andere geaardheid heeft?” vraagt Van Wijngaarden. „Het is de moeilijkste stap om het je ouders te vertellen”, geeft ds. Egas aan. „Het gezin is echter de allereerste plek om het kwijt te kunnen. Als pastor wil ik zo nodig daarbij helpen. Als een kind zich thuisvoelt in zijn gezin, kunnen de gezinsleden veel verdragen. Ik laat het vervolgens aan de betrokkene zelf over of hij wil dat de hele kerkelijke gemeenschap het weet.”
„Gebeurt deze publieke coming-out wel eens?” vraagt Van Wijngaarden. Ds. Egas: „Ik vraag me af of het de taak van een predikant is om de desbetreffende persoon als zodanig in de gemeente te introduceren. Meestal blijft het bij een publiek geheim. In de catechismuspreek geef ik altijd bij de behandeling van het zevende gebod aandacht aan de plaats van een homofiel in de gemeente, maar ik ga dat niet uitvergroten.”
„Is het niet beter om meer veiligheid aan homofielen te bieden door ervoor te zorgen dat er wat meer openheid komt?” vraagt Quist. „Ik wil alle ruimte bieden aan iemand die vertelt van het kruis in zijn leven en hoe de Heere hem daarbij helpt”, reageert ds. Egas. „Dan is er absoluut plaats voor zo’n jongen in de kerk. Maar ik mag nooit aanvaarden dat openheid ertoe moet leiden dat iemand dagjes kan uitgaan met een vaste vriend of daarmee mag knuffelen. Ik heb alle respect voor iemand die met Paulus spreekt over een doorn in het vlees, waarom hij of zij een leven in onthouding zal moeten gaan en nooit zal trouwen. Als iemand er echter zelf voor kiest om zijn geaardheid of gerichtheid niet aan de grote klok te hangen, respecteer ik dat. Dan lijkt het me ook niet dienstbaar er bewust over te spreken in zijn aanwezigheid op catechisatie, omdat je zo’n jongen uiterst voorzichtig moet bejegenen.”
„Dat is juist het erge”, reageert Van Wijngaarden. „Je kunt je als homo dan zo eenzaam voelen omdat je voelt: de dominee praat er niet over omdat hij mij wil sparen. Maar zolang het een publiek geheim is, hangt het in de lucht. Blijkbaar zijn we er zo verlegen mee dat het voor een homofiele jongere beter is om te zwijgen. Wat zit daarachter?”
„Niemand wil anders zijn”, denkt ds. Egas. „Zo’n jongen of meisje is daardoor kwetsbaar. Ik moet er niet aan denken dat een jongen op catechisatie voor zijn andere geaardheid uitkomt en een meisje door de zenuwen opeens begint te giechelen. Dat kan funest zijn.” Van Wijngaarden: „Dan geeft dat wel aan hoe verkeerd het er bij ons aan toegaat. Het is verschrikkelijk frustrerend om min of meer gedwongen te worden levenslang zo’n geheim mee te dragen.” Ds. Egas: „Daarom moeten we in de gemeente voorzichtig een weg zoeken waarin er meer openheid ontstaat. Dat gaat niet van de ene op de andere dag.”
Zonde
Volgens Van Wijngaarden valt er meer over homoseksualiteit te zeggen dan alleen dat een homoseksuele relatie zonde is. „Veel homofiele mensen denken ten onrechte dat hun gevoelens zondig zijn. Dat belemmert hen om met hun gevoelens voor de dag te komen. Maar ik mag een man mooi vinden, al sta ik voor eenzelfde grens als mijn getrouwde heteroseksuele vriend die een knappe vrouw ziet: we mogen die ander niet begeren.” Quist, instemmend: „De grens tussen vriendschap en liefde verschilt bovendien per persoon.”
Ds. Egas: „Maar Herman, wat doe je dan met de Bijbeltekst die zegt: Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, pleegt al overspel. Kun je dat nu echt van elkaar scheiden?” Van Wijngaarden: „Ja, iemand kan zich daarin trainen. Als ik naar een man kijk, betekent dat nog niet dat ik met hem naar bed wil.” Ds. Egas: „Toch blijf ik daar moeite mee hebben. Psalm 119 zegt: „Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien.” Moeten we niet allemaal, ook ik als heteroseksuele getrouwde man, steeds bidden om niet in verleiding te worden gebracht? Ik weet hoe ontzettend verdorven mijn hart is. Daarom durf ik niet te zeggen tegen een homofiele jongere: Kijk maar rustig of je een jongen knap vindt, als je hem maar niet begeert. Die grenzen zijn flinterdun.”
„Ik heb daarmee vijftien jaar geworsteld”, reageert Van Wijngaarden. „Constant liep ik met de gedachte: ik moet die gevoelens verstoppen, want ik mag ze niet hebben. Daar werd ik knettergek van. Ik heb uiteindelijk rust gevonden in het accepteren van mijn gevoelens, met daarbij de opdracht van God om daarmee niet aan de haal te gaan door seksuele toenadering tot een andere man te zoeken.”
Quist: „Het is onmogelijk je gevoelens te onderdrukken, maar het onderstreept de noodzaak van een persoonlijke relatie met God om niet in de zonde te vallen.” Ds. Egas: „Ik blijf erbij dat we die gevoelens geen ruimte mogen geven. Wij zijn van onszelf zo zwak. Christenen moeten niet op de rand willen balanceren, want binnen de kortste keren gaan ze daar over. Om dezelfde reden heb ik er bijvoorbeeld ook bezwaar tegen dat jonge stelletjes die verkering hebben samen ergens tot ’s avonds laat oppassen.”
Vriendschap
Volgens Quist vragen veel jongeren met homofiele gevoelens zich af hoever een vriendschap met een andere homofiele jongere mag gaan. „Mogen ze wel samen op straat lopen? Mag dat hand in hand? Twee vrouwen mogen immers ook rustig gearmd winkelen?” Ds. Egas: „Dat laatste vind ik echt van een andere categorie. Op school zie je 14-jarige meisjes ook vaak gearmd lopen, maar jongens niet. Als twee homofiele jongeren hand in hand lopen, is dat voor mij een teken van hun intieme relatie. Een volgende stap is het geven van een kus en ga zo maar verder. Christenen moeten iedere schijn van het kwaad vermijden.”
Van Wijngaarden: „Afgezien dat het hand in hand lopen mij wat klef overkomt, vind ik ook dat we het onszelf niet extra moeilijk moeten maken door de grenzen op te zoeken. Wel vind ik dat we binnen de christelijke gemeente erover moeten nadenken op welke manier iemand zijn behoefte aan intimiteit op geestelijke wijze een plaats kan geven. Mijn beste vriend is een heteroseksuele getrouwde man en die vervult voor mij een belangrijke emotionele rol. Het is voor homofielen belangrijk dat iedereen aanvaardt dat ze gewoon een goede vriend kunnen hebben.”
Hoewel het kabinet meer acceptatie van homoseksualiteit vraagt, denkt ds. Egas niet dat de rechterflank van de gereformeerde gezindte zijn standpunten zal veranderen. „Zolang we van kaft tot kaft vasthouden aan wat de Schrift zegt, zal iedere vorm van een homoseksuele relatie tuchtwaardig blijven.”
Van Wijngaarden: „Ik denk dat voor mijn achterban het maximaal haalbare is dat de Bijbelse norm overeind blijft. We wijzen iedere homoseksuele relatie af, terwijl we toch terughoudend zijn bij het toepassen van de tucht, zoals nu ongeveer de praktijk is rond echtscheiding. Daarmee wordt voorkomen om selectief te zijn en wel direct iemand met een homoseksuele relatie van het heilig avondmaal te weren, maar niets te doen tegen iemand van wie iedereen weet dat hij zwart werkt. We moeten lankmoedig zijn. Daarom is er bij ons in de PKN enige verlegenheid rond het uitoefenen van de tucht.”
Kritisch
Zowel Van Wijngaarden als ds. Egas is kritisch over de activiteiten van RefoAnders, die inmiddels 244 unieke forumleden telt. Van Wijngaarden: „Ik vind het prima bij de overheid het geluid van de gereformeerde gezindte te vertolken en daar te lobbyen. RefoAnders zou misschien wat minder een actieclub moeten zijn en wat meer moeten doen aan de geestelijke vorming van zijn leden.” Ds. Egas: „Dat kan bijvoorbeeld door het plaatsen van bezinnende artikelen op de website.” Quist: „Veel jongeren zoeken op internet naar antwoorden op hun vragen, voordat ze naar hun ouders stappen. Voorheen kwamen ze op seculiere homosites. Door RefoAnders is er nu een platform waar ze wel met geloofsgenoten in contact komen.”
Inmiddels bezoeken zo’n twintig mensen de maandelijkse samenkomsten, waar mensen in huiskamersfeer met elkaar kunnen praten. Ds. Egas: „Die aparte homobijeenkomsten vind ik uiterst discutabel. Ze dragen niet bij aan de integratie van homo’s in de kerkelijke gemeente. Daarnaast breng je mensen met elkaar in contact die nog niet zijn uitgedacht over hoe ze met hun gevoelens moeten omgaan. Daardoor kunnen bepaalde vriendschappen ontstaan, die het gevaar lopen een verkeerde weg in te slaan. Ook vind ik het levensgevaarlijk van RefoAnders om samen te werken met een antichristelijke organisatie als het COC, die zo duidelijk de intolerantie predikt en niets wil weten van God en Zijn dienst.”
Quist: „Ik werk niet samen met het COC, maar wil deze organisatie wel prikkelen door steeds een signaal richting hen af te geven. Wat gebeurt er als wij zwijgen? Daarnaast weren wij geen hetero’s op onze huiskamerbijeenkomsten. We moeten niet zo wantrouwend zijn en zeggen dat homo’s elkaar niet mogen zien.” Ds. Egas: „Het mag niet gewoon worden homo te zijn, waarmee ik wil zeggen dat het alles te maken heeft met de gebrokenheid van het leven door de zondeval. Het is uiteindelijk een geestelijk probleem.”
Van Wijngaarden: „Ik vind het jammer als het altijd zo tobberig moet zijn. Ik ervaar inderdaad een gebrokenheid in mijn seksuele beleving. Ik zie dat niet als een geestelijk probleem, want dan zou ik niet verder kunnen leven, omdat ik er dan niet als homofiel zou mogen zijn. Voor mij is het een emotioneel probleem, waarmee ik op geestelijke wijze moet omgaan. Dat kost al genoeg strijd.” Quist: „Toch zie ik mijn geaardheid ook als een geestelijk probleem. Iedere keer als homofiele gevoelens op me afkomen, ervaar ik een verkilling in mijn verhouding tot God. Dat is een voortdurend gevecht in me, wat me wel afhankelijk maakt van God. Daarom is het voor mij een doorn in het vlees met een gouden rand.”
Dit is het vijfde en laatste deel in een serie over homo-emancipatie. Eerdere afleveringen verschenen op 8, 9, 10 en 17 november.
Schandelijkheid
Waar wijst de Bijbel de homoseksuele praxis nadrukkelijk af? Volgens ds. Egas spreken drie gedeelten uit het Nieuwe Testament er duidelijk over.
Romeinen 1:26 en 27:
„Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; en insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.”
1 Korinthe 6:10 en 11:
„Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.”
1 Timotheüs 1:8 10:
„Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt; en hij dit weet, dat den rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onrechtvaardigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers, den hoereerders, dien, die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is.”