Barten begint bij 1565. In dat jaar gaven Lamoraal, graaf van Egmont, en graaf Hendrik van Brederode opdracht tot het droogleggen van de Egmondermeer en de Bergermeer. „Het zijn nog steeds de oudste droogmakerijen van wat grotere omvang in Nederland.”
Dan roemt hij de openheid en weidsheid van het landschap. „Vanuit de Egmondermeer kijk je tot aan de duinenrij en de beboste strandwal Alkmaar-Heiloo.”
Die openheid en weidsheid, zegt Barten, worden bedreigd door een bloembollenkweker uit Sint Pancras. „De laatste jaren heeft hij steeds stukken grond bijgekocht voor de bloembollenteelt. Net zolang tot hij een aaneengesloten gebied had van zo’n 25-30 hectare groot.”
Bij bloembollengrond hoort een bloembollenschuur, bedacht de kweker, en daarom vroeg hij de gemeente een bedrijfswoning en een loods op de grond te mogen bouwen. Nee, zei het college, dat staat het bestemmingsplan niet toe.
Barten: „Toen de teler het in 2005 opnieuw probeerde, rekenden wij op standvastigheid bij het college. Maar uit de hoge hoed kwam een alternatieve locatie rollen, langs de Egmondermeerweg. Ook daar was bouwen in strijd met het bestemmingsplan. Toch gaf het college groen licht.”
Volgens het bestemmingsplan heeft de grond de status van open agrarisch gebied (ao-grond) en is hij bestemd „voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf alsmede voor het behoud van ruimtelijke openheid.” Bebouwing is toegestaan, maar uitsluitend „ten dienste van en noodzakelijk voor” de genoemde bestemmingen: de agrarische bedrijfsvoering en de ruimtelijke openheid.
Wat betekent dat? „Ten dienste van en noodzakelijk” betekent dat de bloembollenteler gemotiveerd moet aantonen waarom hij uitgerekend op die plek zo’n grote loods moet hebben, zei de voorzieningenrechter. Omdat hij die uitleg miste, legde hij de bouw van de loods stil.
In de bodemprocedure die de gemeente vervolgens begon, besliste de rechtbank Alkmaar anders. Ao-gronden, zo oordeelde de rechter, zijn primair agrarische gronden die de eigenaar „effectief” moet kunnen gebruiken. De behoefte aan een loods was met het oog op dat effectieve gebruik zo vreemd nog niet.
„Noodzakelijk” betekende volgens deze rechtbank alleen dat niet elke willekeurige hobbyboer de grond mocht bebouwen. Maar voor een volwaardig agrarisch bedrijf was dat hoe dan ook toegestaan, zonder gedetailleerde uitleg over de noodzakelijkheid. En, zei de rechter, een vrijstelling betekent in dit geval een algehele vrijstelling, dus ook van de eis dat de bebouwing „ten dienste” is van het open gebied.
„Zodoende”, zegt Barten in de ontvangsthal, „is deze procedure bij de Raad van State de enige optie die ons rest.”
Hoopvol: „Via de Wet openbaarheid bestuur hebben we bij de Bloembollenkeuringsdienst de teeltgegevens opgevraagd van de bollenkweker. Daaruit blijkt dat hij in heel Noord-Holland vele tientallen hectare in beheer heeft. Die 30 hectare in de Egmondermeer is dus maar een onderdeel. Dat een loods daar noodzakelijk is, klopt dus gewoon niet.”
De Raad van State neemt de gegevens van de keuringsdienst voor kennisgeving aan. Het bloembollenbedrijf is, mede gelet op de jaaromzet, „volwaardig” en dus mocht de teler op de ao-grond bouwen, zegt de raad. En vrijstelling betekent hier inderdaad: vrijstelling van elk planvoorschrift.
Troostend merkt de raad nog op dat de loods tot op zekere hoogte aansluit bij de stolpboerderijen en de schuren die zich al in het open landschap bevinden. Barten: „Een doekje voor het bloeden, zo’n toevoeging. Meer niet.”