Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Van waddengebied tot Westerschelde

DEN HAAG - De Deltacommissie doet in haar advies twaalf concrete aanbevelingen, veelal over specifieke stroomgebieden.
VEILIGHEIDSNIVEAU: Voor 2050 moeten de huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen worden verbeterd met een factor 10. Daarvoor moeten de normen zo snel mogelijk worden vastgesteld. Waar meer veiligheid gewenst is, is het concept van de deltadijk veelbelovend. Die is zo hoog, breed of sterk dat de kans op een plotselinge en oncontroleerbare overstroming vrijwel nihil is. Gelet op specifieke of plaatselijke omstandigheden is maatwerk hierbij het devies. Maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten voor 2050 zijn gerealiseerd. Na 2050 moeten de veiligheidsniveaus met regelmaat geactualiseerd worden.

NIEUWBOUWPLANNEN: Wie op gevaarlijke plekken wil wonen, draagt daarvoor zelf de consequenties. De kosten van nieuwbouw op ongunstige locaties mogen niet op een bepaalde bestuurslaag of op de samenleving als geheel worden afgewenteld.

BUITENDIJKSE GEBIEDEN: Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit van de rivieren en meren niet belemmeren. Bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen. Een drijvend huis heeft bijvoorbeeld geen gevolgen voor de afvoercapaciteit. De overheid heeft een faciliterende rol op het gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.

NOORDZEEKUST: De veiligheid voor de kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden moet op orde worden gehouden door zandsuppleties, eventueel met verlegging van de stroomgeulen. Dat gebeurt in samenwerking met de natuur: de opspuitingen moeten zo worden uitgevoerd dat de kust de komende eeuw vanzelf kan aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde op. Op korte termijn moeten zandwinlocaties worden gereserveerd. Ook moet onderzocht worden hoe deze grote volumes ecologisch, economisch en energetisch zo efficiënt mogelijk kunnen worden gesuppleerd.

WADDENGEBIED: De zandsuppleties langs de Noordzeekust dragen bij aan het meegroeien van het Waddengebied. Het voortbestaan van de Waddenzee zoals die er nu bij ligt, is echter niet vanzelfsprekend. De ontwikkelingen moeten in internationale context worden geobserveerd en geanalyseerd. De bescherming van de eilandpolders en de kust van Noord-Nederland moet gewaarborgd blijven.

OOSTERSCHELDE: De Oosterscheldekering voldoet in elk geval tot 2050 aan de eisen. Het nadeel van de kering is de beperking van de getijdenwerking. Daardoor kalven de schorren in de Oosterschelde sterk af. Met zandsuppleties van buiten -bijvoorbeeld uit de Voordelta- wordt dit bestreden. Als een zeespiegelstijging van 1 meter is bereikt -op zijn vroegst rond 2075- voldoet de kering niet meer. Dan moet gezocht worden naar een oplossing waarbij de getijdendynamiek in de Oosterschelde weer helemaal terugkomt. Dat kan betekenen dat de kering wordt afgebroken.

WESTERSCHELDE: De Westerschelde moet in zijn geheel openblijven om twee redenen: het is beter voor het waardevolle estuarium en de vaarroute naar Antwerpen moet behouden blijven. De veiligheid moet dan ook op peil worden gehouden door dijkversterking. Achter in de Westerschelde zal een verdere trechterwerking ontstaan door het zich opstuwende water.

KRAMMER-VOLKERAK ZOOMMEER: Het Krammer-Volkerak Zoommeer blijft niet zoet. Samen met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde wordt het ingericht voor de tijdelijke berging van het overtollig rivierwater van Rijn en Maas. Bovendien biedt het een oplossing voor de huidige milieuproblemen in het meer. De zoetwatervoorziening voor landbouw en industrie valt daarmee weg. Daar moet een alternatief voor komen, bijvoorbeeld door aanvoer per pijpleiding.

RIVIERENGEBIED: De overheidsprogramma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten snel worden uitgevoerd. Op sommige plaatsen kan het effectief zijn om vóór 2050 alvast maatregelen te nemen voor een grotere toekomstige waterafvoer. In dit licht is het noodzakelijk overleg te voeren met de buurlanden. Ook moet er ruimte worden gereserveerd en moeten zo nodig gronden aangekocht voor een grotere waterberging na 2050. De Rijn moet uiteindelijk 18.000 kubieke meter er seconde en de Maas 4600 kubieke meter mer seconde kunnen verwerken.

RIJNMOND: Om het Rijnmondgebied te beschermen, zouden er verschillende nieuwe waterkeringen kunnen komen in het Spui, de Oude Maas, de Dordtse Kil en de Merwede. Samen met de Maeslant- en de Hartelkering en de Haringvlietsluizen kan op die manier de hele Rijnmond worden afgesloten voor hoge waterstanden op zee, terwijl er binnen het gebied minder extra dijkversterkingen nodig zijn. Zo’n „afsluitbaar open” Rijnmond combineert de functies veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. In dit scenario moeten extreme waterniveaus van Rijn en Maas via de zuidwestelijke Delta worden afgevoerd. Het water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer woren aangevoerd. Nader onderzoek naar de afsluitbaar open Rijnmond moet op korte termijn starten.

IJSSELMEERGEBIED: Het peil van het IJsselmeer wordt met maximaal 1,50 meter verhoogd. Daarmee kan tot na 2100 onder vrij verval worden gespuid op de Waddenzee. Het peil van het Markermeer wordt niet verhoogd. Het IJsselmeer behoudt zijn strategische functie als zoetwaterreservoir voor Noord-Nederland, Noord-Holland en, vanwege de dieper indringende zouttong in de Nieuwe Waterweg, voor West-Nederland.

POLITIEK: Er moet een ministeriële stuurgroep komen onder voorzitterschap van de premier. Als secretaris van die stuurgroep wordt een deltaregisseur aangesteld. De uitvoering van de waterveiligheidsplannen gebeurt onder regionale verantwoordelijkheid. Het geld moet komen uit een speciaal deltafonds onder beheer van de minister van Financiën. Een deltawet moet de geldstroom en bestuurlijke structuur zeker stellen.


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Gerelateerde artikelen
    Meer uit deze rubriek