Een zestienjarige oud-leerling van de school, die aan de poort op zijn vriendin stond te wachten, werd zonder enige aanleiding in het gezicht gestompt, bij een schimmig opstootje tussen een tiental personen. Vier mannen die kwamen aanrijden in een busje zouden op zoek zijn geweest naar een jongen die, aldus De Rijcke, „kennelijk vervelende dingen over iemand uit de groep op internet had gezet”, maar ze troffen hem in het gezelschap niet aan.
Ruim een jaar na dato geeft de politierechter in Middelburg Hendrik W., zijn zoon Napoleon en zijn zwager Gaston een voorwaardelijke boete van 390 euro. Volgens de rechter hebben ze zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld in vereniging gepleegd; een delict dat justitie vrij gemakkelijk ten laste kan leggen en dat met name op het verstoren van de openbare orde ziet.
Een andere zoon van Hendrik, Josephus, nam volgens de rechter niet alleen deel aan het oproer, maar deelde ook de bewuste vuistslag uit aan de 16-jarige oud-leerling. Daarom krijgt hij voor de combinatie van openlijk geweld plegen en mishandeling een werkstraf van zestig uur.
Maar wat is het verhaal achter het relletje? „Het draait om mijn neef Glenn”, zegt Hendrik W., een telg uit een zigeunergeslacht, op 15 januari dit jaar bij het gerechtshof Den Haag waar het hoger beroep dient dat hij, zijn zonen en zijn zwager hebben aangetekend tegen hun veroordeling. „Hij vertelde ons dat een van zijn klasgenoten, een neonazi, hem had lastiggevallen. Daar schrokken we van, vooral toen we van die jongen een foto op internet zagen, waarop hij de Hitlergroet bracht.”
Bij het hof houdt Hendrik vol dat hij en zijn kompanen op 12 januari 2006 slechts op zoek waren naar de rector om hem in een indringend gesprek te wijzen op de ernst van de situatie. „Ik ben vreselijk bang van neonazi’s. Mijn vader is in de oorlog omgebracht.”
Bij het betreden van het schoolplein was de vechtpartij al in volle gang, betoogt hij verder. „Maar wij hebben ons nergens mee bemoeid en zijn teruggegaan toen bleek dat de rector er niet was.”
Advocaat-generaal mr. J. Wubben heeft, net als de Middelburgse aanklager in eerste aanleg, een andere lezing. Hij houdt het erop dat het viertal de neonazi de les wilde lezen en daartoe doelbewust koers zette naar de school. Of ze de knokpartij in gang zetten, blijft onduidelijk. Maar op z’n minst, zegt Wubben, hebben ze zich er actief mee bemoeid, in de kennelijke veronderstelling dat hun doelwit zich ergens in de groep bevond.
Of ze daarmee een strafbaar feit hebben begaan? Jazeker, betoogt Wubben; omdat ze door hun aanwezigheid „de groep getalsmatig versterkten en er op het moment dat er geweld werd gepleegd onderdeel van bleven uitmaken zonder zich van het gebeuren te distantiëren”, maakten ze zich schuldig aan openlijk geweld. Hij eist bekrachtiging van de eerder opgelegde straf.
Raadsman A. J. Sol benadrukt dat de 16-jarige die de vuistslag kreeg geen van de vier mannen herkende. Het uitgevoerde recherchewerk noemt hij slordig. „De politie zat met de zaak in haar maag en was blij dat ze in elk geval vier betrokkenen heeft kunnen opsporen. Verder rammelt haar feitenrelaas aan alle kanten. Meerdere getuigen verklaren dat een onbekend duo op een bromfiets de eerste klappen uitdeelde, maar naar hun identiteit is niet eens gezocht.”
Sols betoog slaagt deels: het hof acht niet bewezen dat Josephus de vuistslag uitdeelde. Daarom sneuvelt de aan zijn adres gerichte aanklacht mishandeling. Dat de vier als argeloze passanten de vechtende menigte zouden zijn gepasseerd, doet het hof echter af als onzin. Bijgestaan, zo onderschrijven ze de redenering van justitie, is in dit geval wel degelijk meegedaan. Josephus krijgt in plaats van een werkstraf een mildere boete, verder blijven de veroordelingen in stand.