Jansen sprak vanmorgen op een themadag in Gouda over historische verhalen. De dag was georganiseerd door Driestar Educatief, uitgeverij Mozaïek, het Christelijk Literair Overleg, de Vereniging van Christen-Historici en deze krant. De winnaars van de prijzen van een historische verhalenwedstrijd werden bekendgemaakt: Christine Stam (1e prijs), André Kastelein (2e prijs) en Femke Voorhorst (3e prijs).
Het is volgens Jansen „wel even slikken” als je ontdekt dat van je voorouders drie generaties op rij in een heropvoedingsgesticht zaten. „Veenhuizen werd in 1823 opgericht om paupers uit de steden te laten werken aan ontginning in het Drentse land, om hen zo tot zelfstandige burgers op te voeden. Maar in plaats van dat ze opgevoed werden tot zelfstandigheid, werd hun deze geheel ontnomen. Veenhuizen kreeg een slechte naam, een plek waar het uitschot van de maatschappij naar toe ging. Mijn voorouders moesten telkens weer liegen over hun achtergrond om te vechten tegen de vooroordelen. Ik ontdekte dat stigma en de onmogelijkheid er weg te komen een grote rol speelden in Veenhuizen.”
Overgrootvader was een vreemde kwast, heette het in de familie van Jansen. „Hij verdween soms zomaar een paar jaar naar Indië.” Maar Jansen ontdekte dat de man helemaal nooit in Indië was geweest: Indië was een codewoord voor Veenhuizen, dat je niet openlijk uit kon spreken. Ook de bemoeienis van de Amsterdamse sociale dienst met haar grootouders, 23 jaar lang, zijn „geen mooie verhalen”, zei Jansen. „Soms dacht ik: wil ik dit wel lezen? Confrontatie met deze geschiedenis kan heel pijnlijk zijn.”
Henk Koesveld vertelde over zijn Middeleeuwse jeugdboeken. In bijna al zijn jeugdboeken komt een aspect van de Middeleeuwen naar voren. Koesveld vindt het belangrijk dat er een vonk overspringt bij de lezers. „Historische sensatie, noemen ze dat tegenwoordig. Je moet door een verhaal die sensatie kunnen oproepen.” Ter illustratie liet hij een stukje hout zien uit het jaar 800. „Karel de Grote zou dit hout gezien kunnen hebben, precies zoals wij er nu tegenaan kijken.”
Het is volgens de jeugdboekenschrijver belangrijk je goed op de hoogte te stellen van de tijd waarover je boek gaat. „Bij mij zijn de hoofdpersonen altijd fictief, maar voor de achtergronden, omstandigheden en details voer ik historisch onderzoek uit. Zo werd rond 1360 de jaszak uitgevonden. Dat laat ik dan een persoon doen. Met de Slag van Nieuwpoort in 1600 vertrok uit Dordrecht een vloot van maar liefst 1200 schepen. Dan trek ik na hoe die vloot heeft gevaren.”
Koesveld bezoekt bibliotheken en archieven. Of hij neemt een kijkje in een klooster bij Nijmegen. „In dat klooster lagen boeken van honderden jaren oud. Terwijl de plaatjes in kleur -miniaturen- nog net zo helder waren als toen ze geschilderd werden. Door in zo’n klooster op onderzoek uit te gaan krijg je gevoel bij het werk van een miniaturist.”
De schrijver waarschuwt auteurs ervoor hun verhalen niet te overvoeren met geschiedenis. „Je kunt allerlei trucs uithalen, maar een verhaal moet wel geloofwaardig blijven. Gebruik ook niet te vaak dezelfde ingrediënten in opeenvolgende boeken. Zo las ik in een recensie van een van mijn laatste boeken: ook in dit boek bloeit weer een romance op. Dan weet je dus: in het volgende boek komt geen romance.”