Met zijn spade spit hij de aarde om. Even later veegt hij de smurrie van een dopje. „Een loden flessendop uit ongeveer 1600”, weet de Fries na een korte inspectie. „Eigenlijk gevaarlijk spul. Mensen konden er loodvergiftiging door oplopen.”
Een waterige oktoberzon werpt zijn stralen over het weidse land. In de verte springen een paar herten weg. „Ik vind het heerlijk om urenlang op de akkers rond te lopen”, zegt Veenstra, in het dagelijks leven werkzaam in de systeembouw. Zeker elke zaterdagmiddag gaat hij met zijn metaaldetector op speurtocht, weer of geen weer. „Het is altijd weer de vraag wat ik ga vinden. Dat onzekere trekt me. Ook al vind ik misschien een van de tien keer iets interessants, ik vermaak me altijd prima. Ik geniet van de herten, de buizerds, de fazanten. Die rust, heerlijk. Even niks anders aan je hoofd dan het piepje van de metaaldetector.”
Broekzakken
Als „klein jochie” vond Wiebren Veenstra een metaaldetector al „reuze interessant”, zo’n vijf jaar geleden kreeg hij de smaak echt goed te pakken. „Tijdens bouwwerkzaamheden hier in de buurt, waarbij 30 centimeter van de bovenlaag werd weggegraven, gingen we op zoek naar metalen voorwerpen. Op een avond vonden we meer dan zestig oude munten.”
Tot zijn verrassing ontdekte Veenstra dat het boerenland rond Augustinusga, vlak bij het Prinses Margrietkanaal, voorheen een stortplaats was van stadsafval. Daardoor verbergt de aarde talloze eeuwenoude spullen. „In Augustinusga was vroeger een loshaventje, waar schepen het afval brachten. Boeren gebruikten dat als mest. Tussen dat afval zaten ook allerlei gebruiksvoorwerpen, zoals pijpenkopjes, vingerhoedjes, naairingen, hondenfluitjes. Bij de werkzaamheden in de loshaven verloren mensen ook muntjes of andere dingen. De kwaliteit van broekzakken en portemonnees was niet zo goed als nu.”
Zijn meest verrassende vondst is zonder twijfel een gouden muntje uit de periode van ongeveer 500 na Christus. „Mooi hè, 80,2 procent goudgehalte”, zegt Veenstra, als hij in zijn woonkamer het muntje, ter grootte van amper een dubbeltje, uit zijn vitrine met honderden bodemvondsten haalt. De zogeheten trient is volgens hem een van de eerst geslagen munten in Friesland.
De Fries weet nog als de dag van gisteren hoe hij september vorig jaar op de schat stuitte. „Na werktijd ging ik aan het zoeken op een plek waar ze aan het graven waren rond een gasleiding. Ik had de metaaldetector zo afgesteld dat het apparaat ook ijzer zou signaleren. Ik hoorde twee piepjes. Dat waren ijzeren spijkers. Het derde signaaltje klonk anders. Toen ik de aarde met mijn spa weg wipte, zag ik iets schitteren in de avondzon. Een gouden muntje. Geweldig, onbeschrijflijk. Een droom kwam uit.”
Tabakstampertje
Met hulp van zijn metaaldetector haalde Veenstra meer eeuwenoude kleinoden boven de grond. Zo stuitte hij op een bronzen fibula, een speld om kledingstukken op de schouder te bevestigen. Het voorwerp dateert uit ongeveer 600 na Christus en is van Angelsaksische makelij. Verguld is de Fries ook met de vondst van een zilveren pijpgarnituur uit ongeveer 1600, met daaraan onder meer een tabaksstampertje en een nagelschrapertje. „De man die dit verloren heeft, moet er naar hebben lopen zoeken.”
Opzienbarend was ook de ontdekking van een eeuwenoud gouden ringetje met daarin stukjes diamant. „Ik vond die ring toen ik op een doordeweekse dag samen met mijn zoontje Fokke aan het zoeken was. Hij heeft het ringetje nog om zijn pink gepast. Toen gleed het sieraad van zijn vinger en moesten we er opnieuw naar zoeken.”
Hoewel Veenstra geld niet als drijfveer voor zijn hobby ziet, is het mooi meegenomen als hij -hedendaags- muntgeld opgraaft. „Vorig jaar waren we drie weken in Italië op vakantie. Vaak gingen we er op het strand even met de metaaldetector op uit. Bij elkaar haalden we 450 euro aan muntgeld uit het zand. Daarmee had ik de dieselkosten er mooi uit.”
Dit is het vierde deel in een serie over schatzoekers.