Wereldwijd veroorzaken de spotprenten in de Deense krant Jyllands-Posten veel opschudding. In de Amsterdamse grachtengordel is het niet anders. Het debat in de Zuilenzaal van Felix -volle bak- krijgt de functie van een soort uitlaatklep; zeggen wat je niet in een ingezonden brief durft te schrijven.
Leidende vraag van het debat is: Zou ik de cartoons over Mohammed hebben geplaatst? „Natuurlijk niet”, reageert columnist Mohammed Benzakour. Volgens hem heeft de woede in de Arabische landen maar weinig met de Deense spotprenten te maken. Hij ziet gevoelens van politieke onmacht, frustratie en een gebrek aan zelfvertrouwen als oorzaken van de geweldsuitbarstingen. „Je moet er een politieke analyse op loslaten om dit te begrijpen.”
Hij vindt dat in Nederland met een dubbele maat wordt gemeten. „We hebben de mond vol van democratie en vrijheid van meningsuiting. Maar als Abdul-Jabbar van de Ven toegeeft dat hij Wilders dood wenst, krijgt hij de volle laag. Hij heeft geen vrijheid van meningsuiting”, beweert Benzakour.
Een moslima valt hem bij. Op felle toon: „Dat wij ons opwinden over een tekening van Mohammed leidt tot onbegrip, maar een spotprent over de Holocaust kan absoluut niet, daar mag je niet aan komen. Het probleem in Nederland is de dubbele moraal.”
Cartoonist Jos Collignon roept moslims op hun gekwetstheid opzij te zetten en te vervangen door discussie. Het standpunt dat de spotprenten blijk geven van gebrek aan respect voor moslims wijst hij van de hand. „Dat zijn allemaal argumenten uit de jaren zestig. Een goede cartoonist tekent niet om te ageren of te beledigen, maar omdat hij de discussie in een bepaalde richting wil duwen. Moslims moeten een weerwoord formuleren, onderkennen dat sommigen hun terreurdaden rechtvaardigen met een verwijzing naar hun geloof en laten zien dat het ook anders kan.”
„Laten we Mein Kampf maar verkopen”, vervolgt Collignon. „Laten we Mohammed tekenen en Allah als we daarmee iets willen zeggen. Laten we antisemitische tekeningen maken. Het dwingt mensen om na te denken over hun verdediging. Slechte gedachten filteren zich er altijd uit.”
Hoogleraar en publicist Paul Scheffer betoogt dat de vrijheid van godsdienst niet valt te scheiden van de vrijheid van meningsuiting. „De vrijheid van godsdienst én de vrijheid van het bekritiseren van godsdienst horen onlosmakelijk bij elkaar.” In een samenleving waar meerdere religies naast elkaar bestaan, gaat het volgens hem onherroepelijk mis wanneer de vrijheid van godsdienst voorrang krijgt. „Alle gelovigen denken namelijk de toegang te hebben tot een superieure moraal. Laatdunkend doen over andere religies is ongeveer de kern van elke godsdienst.”
Essentieel is volgens Scheffer de vraag of moslims in Nederland zichzelf kunnen zien als minderheid in een seculiere samenleving. „Als ze als volwaardige burgers willen worden bejegend, moeten ze ook het nodige over hun kant laten gaan.”
Mohamed Rabbae, oud-Tweede Kamerlid van GroenLinks, vindt net als Benzakour dat de vrijheid van meningsuiting selectief wordt toegepast. „Als ik zeg dat Bush een terrorist is, heb ik kans in de gevangenis te komen”, zegt hij in de interruptiemicrofoon. Rabbae oogst vooral gejoel en boegeroep. „Echt waar”, probeert hij nog.
Hij gooit het over een andere boeg. „Als je een appel doet op goed fatsoen, ben je eigenlijk een loser, een doetje. Dat vind ik jammer”, aldus Rabbae. Ditmaal krijgt hij applaus, voorzichtig, dat wel.
Hoe de dubbele moraal valt te voorkomen? Door aan te moedigen dat kranten, televisie en radio vooral informeren in plaats van ageren, vindt Frits van Exter, hoofdredacteur van Trouw. „Kranten moeten hun kennis van wereldreligies als de islam vergroten. De samenleving vraagt erom. Godsdienst is weer terug in de samenleving en moslims helpen daar een handje bij.”