Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Puzzelstukjes van de Romeinse tijd

 Archeologe De Groot (rechtsachter) bij de opgraving in het Limburgse Bocholtz.

Archeologe De Groot (rechtsachter) bij de opgraving in het Limburgse Bocholtz.

Scherfjes, kleurverschillen in de grond: de kleinste aanwijzingen kunnen belangrijke informatie opleveren over het Romeinse verleden van Nederland. „Van een grafkist in Limburg was het hout verteerd. Twee rijen spijkers lieten de afmetingen van de kist echter precies zien.”
„De Romeinen spreken bij veel mensen tot de verbeelding”, zegt drs. T. de Groot, onderzoeker bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Zij houdt zich sinds zes jaar bezig met het Romeinse verleden van de lage landen aan de zee. „Op de middelbare school is mijn interesse voor die tijd ontstaan, mede door vakken als Latijn, Grieks en oude geschiedenis. Het is heel fascinerend dat de Romeinen hier hebben rondgelopen, dat ze hier de grens van hun uitgestrekte rijk bewaakten en dat daar nog overblijfselen van aanwezig zijn.”

Bij de RACM houdt De Groot het overzicht over de verschillende opgravingen in het land. „Bij nieuwbouwprojecten is archeologisch onderzoek verplicht. De kosten ervan zijn voor degene die nieuwbouw gaat plegen of de bodem op een andere wijze „verstoort.” Momenteel wordt Nijmegen-West ontwikkeld. Dat is een gebied waarvan je weet dat er grote kans is dat er iets wordt aangetroffen.”

Nieuwe vondsten zijn er zeker een paar keer per jaar, zegt De Groot. De meeste sporen bevinden zich in de zuidelijke helft van het land, want de rijksgrens lag lange tijd bij de Rijn. Van tijd tot tijd maakten de Romeinen echter tochten door het noorden. Zo kon het gebeuren dat bij Ermelo een marskamp werd aangetroffen, bij Velsen een fort en rond Ede en Barneveld nederzettingen die zich met ijzerproductie bezighielden.

Spannend
Provincies en gemeenten beheren nu zelf de waardevolle locaties, en voor de opgravingen kunnen bedrijven zich inschrijven. Bij bedreigde vindplaatsen die van nationaal belang zijn en waarvoor geen verstoorder is aan te wijzen, kan de Rijksdienst het onderzoek zelf uitvoeren. Zoals bij de boer in het Limburgse Bocholtz die tijdens het ploegen op een Romeins tumulusgraf stuitte.
„Daar zijn we zelf aan de slag gegaan”, zegt De Groot. „Met de laarzen in de modder. Heel spannend: wat komt er tevoorschijn en levert dat verrassende inzichten op? Behalve spijkers van de grafkist troffen we er glazen en bronzen voorwerpen aan.

Ook aan het onderzoek in het nieuwbouwgebied Leidsche Rijn bij Utrecht hebben we meegewerkt. Met boringen en proefsleuven werd naar sporen gezocht voordat de graafmachines de bodem omwoelden. Er zijn daar zes Romeinse schepen aangetroffen. We weten nu welke wegen daar liepen en dat er tussen de forten wachttorens stonden.”

Het onderzoek moet heel zorgvuldig gebeuren, zodat sporen niet verstoord worden voordat ze zijn onderzocht, zegt De Groot. „De kleinste aanwijzing kan van belang zijn. We weten al veel over de Romeinse tijd, maar het geeft je een goed gevoel als je de beeldvorming met kleine puzzelstukjes kunt aanvullen. Vroeger richtten de archeologen zich vooral op forten en andere herinneringen aan de militairen. Tegenwoordig letten we ook meer op de interactie tussen de Romeinen en de bevolking en op de veranderingen die hun aanwezigheid in de samenleving teweegbracht. We onderzoeken niet alleen de vindplaats, maar hebben meer oog gekregen voor het omliggende landschap.”

Dieven
Bij elke vindplaats van nationaal belang beslist de RACM of die op de beschermingsagenda wordt geplaatst. „Dit jaar hebben we een grafheuvel bij Overasselt, ten zuidoosten van Nijmegen, onderzocht. Het is uniek dat er een grafheuvel uit de Romeinse periode wordt aangetroffen. Aan de hand van de samenstelling van de heuvel probeerden we vast te stellen van wanneer hij dateert en of hij waardevol genoeg is om te worden beschermd.”

Soms krijgen de archeologen daarvoor de kans niet. „Veel mensen die het leuk vinden om met een metaaldetector op pad te gaan, melden wat ze vinden. Dat is ook verplicht. Verzamelaars mogen niets meenemen, maar dat gebeurt soms wel. Het kan gebeuren dat je midden in een stad iets blootlegt, maar geen tijd hebt om het te onderzoeken. Dan kom je de volgende dag terug en blijkt er gestolen te zijn. Heel frustrerend, maar je kunt er moeilijk de hele nacht bij gaan zitten. Bij Bocholtz kwamen er ook dieven, midden in de nacht, maar die werden door de politie betrapt. Daar stelden de omwonenden toen nachtbewaking in.”

Dit is het zesde deel in een serie over schatzoekers.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek