Vooral evolutionisten gaan veel te ver met hun conclusies, stelt Schuurman. Op basis van een reeks aannames en een beperkte hoeveelheid gegevens trekken ze conclusies over ontwikkelingen in miljoenen jaren. „Het is echter onmogelijk om met wetenschappelijke experimenten het ontstaan van het leven te bewijzen, evenmin als de overgang van de ene soort in de andere. De wetenschap gaat daarom veel te ver als zij op basis van vooronderstellingen tot een wereldbeschouwing komt en een alomvattende evolutietheorie opstelt.”
Een fundamentele vraag die evolutionisten volgens Schuurman laten liggen is: wat is tijd? „In de wetenschap wordt altijd uitgegaan van het lineaire tijdsbeeld: begin en eind en klaar zijn we. De tijd zou altijd hetzelfde zijn geweest, maar tijd is ook een schepping van God. Aan het begrip tijd zitten zo veel vragen vast, bijvoorbeeld: is de tijd altijd even snel gegaan? Tijd is ten diepste een goddelijk geheim. En als ik vraag aan een evolutionist wat er was vóór de oerknal, dan weet hij daar geen goed antwoord op.”
Wetenschappers doen vaak alsof zij een totaaloverzicht hebben. „Terwijl we zelf aan de tijd onderworpen zijn en maar een kleine plaats innemen in het geheel. We behoren zelf ook tot de schepping. We zijn een stofje aan de weegschaal, zegt de Bijbel. Dat moet ons klein maken. Wij staan er niet boven. Ook wetenschappers niet.”
Wonder
Christenwetenschappers moeten veel kritischer zijn. Ook christenwetenschappers komen niet los van het gangbare denken, constateert Schuurman. „Al sinds de Griekse tijd leeft de westerse mens met de gedachte dat denken en zijn hetzelfde zijn. Dat leeft ontzettend sterk. Het is opmerkelijk dat in christelijke kring hierover zo weinig wordt nagedacht, terwijl het heel fundamenteel is. We vliegen meteen af op theorieën, maar de voorliggende vraag over grenzen aan en van het denken worden niet besproken.”
Daar dreigt een gevaar, stelt de senator. „Gaat een christenwetenschapper los van de Bijbelse waarheid aan het redeneren, dan gaat hij vanzelf schuiven. De rede staat dan weer boven het geloof. Dat is een van de redenen waarom veel wetenschappers opschuiven van wetenschappelijk creationisme via Intelligent Design naar theïstisch evolutionisme. De volgende stap is: het klopt helemaal niet meer. Dan ben je bij het evolutionisme.”
Daarom hield Schuurman in het verleden afstand tot het wetenschappelijk creationisme en houdt hij nu afstand van de Intelligent Design-beweging. „God is mij daarin veel te veel de Ingenieur. God is veel groter. Bovendien wordt aan de verstorende invloed van de zonde geen recht gedaan.”
Niet harmoniseren
Schuurman heeft weinig op met harmonisatie tussen „wat een christen gelooft en wat hij wetenschappelijk denkt. Dat is een van de grootste fouten die we maken rond de uitleg van de teksten over de schepping in de Bijbel. Wie wil harmoniseren loopt het gevaar het geloven ook onder de wetten van de wetenschap te laten vallen. Dat kan niet. Ik blijf liever zitten met de problemen die dat standpunt met zich meebrengt dan dat ik meega met hun oplossingen. Calvijn spreekt dan over „wijze onwetendheid.” Van mij mag dat ook „vragende onwetendheid” zijn. Vragen staat vrij, maar definitieve antwoorden met ons denken zijn niet te geven. Ook aan ons denken zijn grenzen gesteld. We stuiten op goddelijke geheimen. Dat besef maakt ons wijzer en vromer. Lees de andere scheppingsverhalen in de Bijbel ook eens: Job 38, Jesaja 40, Psalm 104 en 148.”
Ondanks dat ziet Schuurman niet achter elke boom een beer zitten. „We moeten er voor waken door te slaan. Het evolutionisme zit niet overal in. Het heeft zijn wortels in bijvoorbeeld de Verlichting. Maar de Verlichting heeft ook in ons dagelijks leven invloed. Daar zijn we als christenen veel te onkritisch over. Daardoor zijn we ook te weinig kritisch naar onszelf, zeker in het westen. Ik ga liever integraal terug naar Psalm 36: In Uw licht zien wij het licht. Alleen dan zie je pas wat de Verlichting voor een invloed heeft en heeft gehad. Ook in onze cultuur. Daarom ontbreekt het ons aan vroomheid en verwondering. We moeten diep ontzag hebben voor God de Schepper en bescheiden zijn over wat Hij gemaakt heeft.”