Ruben de Winter leidde enige tijd een dubbelleven: ’s Zondags zat hij in de kerk, een behoudende gemeente in de gereformeerde gezindte, doordeweeks bezocht hij homobars en darkrooms in Amsterdam. „Met mijn homoseksuele gevoelens wist ik absoluut geen raad. Aan de ene kant was ik ervan overtuigd dat het verkeerd was eraan toe te geven. Aan de andere kant wist ik er met geen mogelijkheid vanaf te komen.” Foto RD, Sjaak Verboom
Tegenwoordig bewoont De Winter, begin dertig, een mooi ingericht appartement in het midden van het land. Zijn boekenkast verraadt zijn geestelijke ligging: uitgaven van John Bunyan staan naast werken van Horatius Bonar en Jonathan Edwards. Als vrijwilliger is hij werkzaam bij een christelijke organisatie en een reformatorische school, kerkelijk leeft hij mee met een behoudende gemeente in de gereformeerde gezindte. Hij is er leidinggevende in het jeugdwerk. Verwonderd: „God heeft mijn leven echt een wending ten goede gegeven.”
Veel van zijn leven veranderde, maar niet alles: zijn homoseksuele gevoelens bleven. „Dat ervaar ik als een kruis dat God mij oplegt”, aldus De Winter. Hij tekent er wel een belangrijke nuancering bij aan. „God geeft mij de kracht om het te dragen. De gevoelens spelen in mijn leven bovendien een veel minder grote rol dan voorheen. Ze zijn voor mij zeker niet meer een dagelijkse last.”
Mikpunt
De Winter groeide op in een kerkelijk meelevend gezin met vier kinderen. Zijn vader was een hardwerkende man, zijn moeder moest alle zeilen bijzetten om haar gezin te onderhouden. Thuis speelden allerlei zorgen, De Winter weidt er liever niet al te zeer over uit. „Het gevolg was wel dat ik mijn verhaal nooit aan iemand kwijt kon. Problemen hield ik altijd voor mezelf”, zegt hij.
Vriendschap had De Winter niet. Op de lagere school en in het voortgezet onderwijs was hij voortdurend het mikpunt: leeftijdgenoten pestten hem onophoudelijk, in de klas, op het schoolplein, onderweg naar huis. „Tot overmaat van ramp gaven docenten mij vaak op m’n kop als er iets was gebeurd waar ik niets aan kon doen. Zo werd ik dubbel gestraft, eerst door mijn klasgenoten, daarna door de leraar. Ik voelde me vaak vreselijk ellendig.”
Als tiener had hij aanvankelijk wel oog voor meisjes, zegt De Winter, maar na enkele negatieve ervaringen wendde hij zich hoe langer hoe meer van hen af. „Ik was lange tijd verliefd op een meisje, maar later bleek dat zij een akelig spelletje met mij had gespeeld. Ze had allerlei brieven aan anderen laten lezen die zogenaamd door mij waren geschreven. Bepaald niet leuk.”
Experimenten
In zijn mavotijd kwam De Winter in aanraking met enkele jongens met wie hij op seksueel terrein allerlei experimenten uithaalde. „Het ging van kwaad naar erger”, zegt hij. „Voor mij was dat een geweldige ervaring. Ik vond bij hen niet alleen seksuele bevrediging, maar ik had eindelijk ook contact met leeftijdgenoten die mij wel zagen zitten. Ik hoorde erbij. Dat gaf mij een goed gevoel.”
In die periode drong het meer en meer tot De Winter door dat hij homoseksuele gevoelens had. „Ik vond het vreselijk. Ik had al weinig gevoel van eigenwaarde, maar toen ik mij min of meer bewust werd van mijn seksuele gerichtheid en die onder ogen probeerde te zien, verdween ook het laatste restje zelfrespect. Ten diepste wilde ik niet erkennen dat ik zo was. Ik liep ervoor weg, ik stond er niet bij stil. Vanwege mijn kerkelijke achtergrond wist ik heel goed dat ik nooit als homoseksueel door het leven kon gaan. Ik bad tot God of Hij mij wilde veranderen. „Dit niet, dit niet”, riep ik uit.”
Met niemand durfde De Winter over zijn problemen te spreken. Hij kwam in een beklemmend isolement terecht, hield tegenover anderen de schijn op een heteroseksuele jongeman te zijn, maar voelde zich achter zijn masker diepongelukkig. „Psychisch raakte ik helemaal uitgeput”, vertelt hij. „Inmiddels was ik in de hulpverlening beland, maar ik bleef zwijgen over mijn homofiele gerichtheid. Hulpverleners dachten mij met therapie en medicamenten op de been te houden. Niet dus.”
Ontmoetingsplaatsen
De Winter zocht naar bevrediging van zijn seksuele verlangens en vond die onder meer op ontmoetingsplaatsen voor homo’s. Via contactadvertenties in kranten en tijdschriften kwam hij bij homoseksuelen aan huis. Ook nodigde hij af en toe mannen bij hem thuis uit voor seksueel verkeer. „Ik kwam in een negatieve spiraal terecht. Na elk contact voelde ik me waardelozer dan ooit, maar ik kon er niet mee stoppen.”
’s Zondags zat De Winter in de kerk. „Ik leidde een verschrikkelijk dubbelleven. Met mijn homoseksuele gevoelens wist ik absoluut geen raad. Aan de ene kant was ik ervan overtuigd dat het verkeerd was eraan toe te geven. Aan de andere kant wist ik er met geen mogelijkheid vanaf te komen. Ik had ze, wat ik ook deed om ze te vermijden. Eén ding stond voor mij als een paal boven water: God zou met mij nooit iets te maken willen hebben. Ik was immers een vieze homo.”
Tijdens een pastoraal bezoek van zijn predikant liet De Winter zich een keer ontvallen dat hij contacten met mannen had. „De dominee zei alleen maar dat ik daarmee moest stoppen. Meer niet. Achteraf vind ik dat erg jammer. Had hij toen maar doorgevraagd. Ik had het wel willen uitschreeuwen: Ik ben homofiel. Ik durfde niet. Uit angst voor afwijzing.”
De band met de kerk werd slapper en slapper, zeker toen De Winter de gayscene in Amsterdam bezocht. „Ik dreigde er helemaal in op te gaan. Vrijwel wekelijks bezocht ik homobars en darkrooms. Wat daar gebeurt aan seksuele uitspattingen is met geen pen te beschrijven. Het is schrijnend, maar ik was niet de enige jongen uit de gereformeerde gezindte die daar kwam.”
Vrede
De Winters leven nam een radicale wending toen een kennis hem op een dag meevroeg naar een meditatieve bijeenkomst in het midden van het land. „Onverwachts had ik daar een ontmoeting met een pastoraal werker. Hij toonde oprechte belangstelling voor mij. Enkele dagen later vertelde ik hem mijn levensverhaal. Hij was diepontroerd, maar hij liet mij meteen weten dat ik geen hopeloos geval was. Hij zei dat er maar één middel voor mij was om te breken met mijn zondige leven: het geloof in de Heere Jezus Christus.”
Kort daarna zat De Winter onder een preek die hem diep trof. „Samen met de pastoraal werker bezocht ik een conferentie. De eerste woorden van de predikant waren meteen raak. „Wat is de wereld diep gevallen. Homoseksualiteit viert hoogtij”, zei hij. Ik was helemaal verslagen. Ik zag op dat moment hoe God mij zag: als een gevallen schepsel, zondig, ellendig. Hoe kon ik ooit nog vrede met Hem vinden? Die vraag hield mij indringend bezig. Ik wist me geen raad.”
Wat mensen hem ook zeiden, De Winter kon naar eigen zeggen geen kant op. „Na een vreselijke dag vol strijd las ik ’s nachts Ezechiël 36, waarin de Heere belooft dat Hij rein water op zondaren zal gieten, dat Hij het stenen hart herschept in een nieuw hart en dat Hij Zijn Geest zal geven in het binnenste van hen. Op dat moment gingen mijn ogen open voor de genade die er is in Jezus Christus. Ik mocht het zeker weten: God ziet om naar zondaren. Niet alleen naar anderen, maar ook naar mij.”
Verbrand
Die ontdekking bracht een grote verandering in het leven van De Winter teweeg. „Ik kon niet langer meer voort in de zonden. Thuis had ik een verzameling pornobladen. Die heb ik, samen met de pastoraal werker en een aantal van zijn vrienden, verbrand op het erf van een boerderij. Dat was een onvergetelijk moment. Ook ben ik toen verhuisd, onder andere om te voorkomen dat kennissen uit mijn vorige leven mij zouden opzoeken.”
De Winter besloot zich aan te sluiten bij een van de kerken in zijn nieuwe woonplaats. „Niet lang daarna kwam de dominee voor een kennismakingsgesprek. Ik heb hem alles verteld. Hij reageerde begripvol, niet afwijzend en al helemaal niet veroordelend. Korte tijd later ben ik gevraagd voor kinderwerk in de gemeente. Dat vond ik bijzonder. Van anderen hoor ik wel eens anders. Die hebben helemaal geen contacten met gemeenteleden.”
Niet iedereen in de kerkelijke gemeente is op de hoogte van De Winters homofiele gerichtheid. „Dat hoeft ook niet”, vindt hij. „Sommige mensen vertel ik het, sommige niet. De meesten reageren onwennig. Ik merk dat zij weinig van het onderwerp afweten. Het zou goed zijn als in de gereformeerde gezindte meer openheid over homofilie kwam. Tegelijk merk ik dat alle aandacht mij wel erg confronteert met het feit dat ik anders ben dan anderen.”
Mensen met homoseksuele gevoelens zijn bijzonder kwetsbaar, zegt De Winter. Juist zij hebben de kerkelijke gemeenschap nodig. „Wat kunnen mensen worstelen met hun gerichtheid. Ze verlangen ernaar om rein te leven, maar het lukt niet. Als ze dan ook nog eens in een omgeving staan die hen vijandig gezind is en die slechts in veroordelende zin over homofilie spreekt, dan is het nogal logisch dat zij op den duur afhaken. Tenzij God ingrijpt. Maar dan nog blijft het voor de meesten erg moeilijk.”
Niet zondevrij
Zijn homoseksuele gevoelens beschouwt De Winter niet als zondevrij. Dat wordt door deze en gene gezegd, weet hij, maar hij is het er niet mee eens. Ook wijst hij de opvatting dat christelijke homo’s bij wijze van noodmaatregel in een relatie van liefde en trouw zouden mogen samenleven, radicaal van de hand. „Homofiele gevoelens zijn het gevolg van wat Genesis 3 zegt over de val van de mens. God wil dat mensen met elkaar leven als man en vrouw in een huwelijk. Mijn seksuele verlangens naar mannen keurt God zeker niet goed.”
Hoe gaat De Winter met die wetenschap om? „Ik ervaar de zonde in mij, ook de macht van de seksuele zonde, net als heteroseksuele mannen kunnen blootstaan aan de verleidingen van een knappe vrouw. Maar ik merk ook dat die macht een knak heeft gekregen. Ik sta er anders tegenover dan voorheen. De gevoelens zijn er lang niet altijd, en als ze er toch zijn, zijn ze niet meer zo overheersend en allesbepalend.”
Er is nog iets, zegt De Winter. „Paulus roept in Romeinen 6 immers op om mijzelf voor een nieuw schepsel te houden. Dat is een groot wonder. Telkens als ik mijzelf tegenkom, met mijn verkeerde verlangens, mag ik zeggen: Zo, zoals ik mezelf nu beleef, ben ik niet, want ik ben met Christus gestorven en opgestaan in een nieuw leven. Dat schept in mij vreugde en vrijheid.”
De gebrokenheid van zijn leven doet hem verlangen naar de volmaaktheid, zegt De Winter. „Ik geloof dat God bij machte is om mijn homoseksuele gevoelens te veranderen. Dat zeg ik wel eens tegen mijn dominee. Hij denkt daar anders over. Volgens hem is homofilie een kruis dat God mensen levenslang kan opleggen. Ik ben daar niet zo zeker van. Ik merk ook dat er meer ruimte voor vrouwen in mijn leven komt. Misschien geldt het voor sommigen.
Hoe God mijn weg ook zal leiden, ik hoop dat Hij mij dicht bij Zijn beloften zal houden. Mijn gerichtheid ervaar ik als een kruis. Soms dreig ik er bijna onder te bezwijken. Maar Gods genade houdt mij vast. Ik weet dat er een dag komt waarop ik mijzelf als een zware last mag afleggen. Daar verlang ik naar. God heeft in mijn leven wonderen gewerkt. Hem alleen komt daarvoor alle eer toe.”
Ruben de Winter heet in werkelijkheid anders.
Twee derde van de christelijke homo’s en lesbiennes verliest het contact met de kerk. Dat blijkt uit een enquête van RefoAnders, een stichting voor homofielen uit reformatorische kring. Het onderzoek, dat eind vorige maand werd gepubliceerd, geeft eveneens aan dat meer dan de helft van de deelnemers aan de online enquête in de kerk geen openheid ervaart om over zijn of haar gevoelens te praten. Ook voor Ruben de Winter werd de band met de kerk slapper en slapper, maar uiteindelijk vond hij de weg terug. „Het zou goed zijn als in de gereformeerde gezindte meer openheid over homofilie kwam.”